Zelfs een inbraak geeft stof tot schrijven, al heb ik hierop niet zitten wachten….

Niet leuk als je na een lunch, een leuk tochtje en de aankoop van enkele doosjes wijn thuiskomt en ziet dat de voordeur geforceerd is. Nogal hardhandig ook. Vervolgens duwde ik de deur met de punt van mijn schoen open en zie dat ook het slot van de glazen tussendeur met een koevoet (pied de biche noemen ze dat hier) is geforceerd en dan… chaos… alle laden en kastdeuren open, inhoud verspreid over de grond. Langzaam loop ik verder, dan terug om mijn man te waarschuwen. Hij komt rustig uit de garage aanlopen. Ik zie mijn hulp en roep beiden toe: ‘Er is ingebroken!’
Na een blik op de ellende roept Mireille: ‘Madame, u moet foto’s maken.’
Terwijl mijn man de politie en de verzekering belt, Pak ik mijn iPhone en baan ik mij een weg door de ravage.
Al mijn mooie in het zicht staande zilver is weg… De klep van mijn antieke bureau hangt er scheef bij en de laden zijn open. De inhoud ligt op de grond. Ook het bureau van mijn man is niet gespaard. Graaihanden hebben naar geld gezocht…
De garde champètre staat in een mum op de stoep, maar voor dit soort zaken moet de gendarmerie komen en niet de police rurale. Dat duurt even, want die zit in Orange.
Ondertussen loop ik het huis nogmaals door. Ik ben met stomheid geslagen. Alles, maar dan ook alles is overhoop gehaald, onze slaapkamer is een grote klerenzooi. In de badkamer liggen alle handdoeken op de grond. Blijkbaar is het een goede verstopplek om achter de handdoeken en tussen je ondergoed kostbaarheden te verbergen. Zelfs de lakens zijn uit de garderobekast in de gang op de grond gesmeten. De kluisdeur in de logeerkamer staat open… alle papieren op de grond. Eigendomspapieren en de bankafschriften zijn niet interessant voor het boeventuig maar gelukkig is mijn externe harde schijf met al mijn foto’s en documenten er nog.
Ze hebben de sleutel die mijn man in zijn koffertje had gelegd gevonden.
‘Weest u blij dat ze die gevonden hebben,’ opteerde de politieman.
Blijkbaar ontwikkelt het niet kunnen openen van een kluis bij boeven zich in een soort wraakactie, waarbij ze expres spullen gaan mollen. Godzijdank is dat niet het geval geweest. Wanneer de boeven mijn vleugel zouden hebben gemold, had ik met blote handen willen wurgen.
Eindelijk komt de Gendarmerie met het bekende blauwe autootje aanrijden. Ze bekijken de boel, maken foto’s en meten de breedte van de gebruikte schroevendraaien en koevoet. Uit een aluminium koffer pakt de politie man een potje en een kwastje om de voorwerpen die de boeven verplaatst hebben, op vingerafdrukken te onderzoeken, maar het tuig heeft handschoenen gedragen…
We maken een lijst van de verdwenen spullen, waarbij we recent gemaakte foto’s van ons interieur raadplegen.
Volgens de politie, ging het die lui om geld, sieraden en zilver. Rondtrekkende bendes, vaak uit Oost-Europa… Geld hebben we nooit in huis en zeker niet onder een matras. Mijn sieraden draag ik meestal, maar het mooie zilver, waaronder prachtige antieke kandelaars en decoratieve dienschalen, wijnbekers, peper en zoutstrooier (cadeaus van o.a. mijn moeder) zijn verdwenen. Zelfs mijn sterling zilveren anti-snurkring die naast mijn bed lag, is meegenomen. Dit artikel levert bij de politie de nodige hilariteit op.
De boeven zijn eveneens op zolder geweest waar ze ook onder de matrassen van de logeerbedden hebben gekeken. Zelfs een grote houten kist waarin mijn man de oude Märklintrein keurig in doosjes heeft bewaard, hebben ze doorgespit om te kijken of hieronder geld lag…
De eerste nacht kon ik niet slapen en eten. Goed voor de lijn zeg ik dan maar.
De voordeur moet vernieuwd worden, een dure grap, maar beter toch laten doen om rustig te kunnen slapen.
Dit geteisem krijgt een deur open in drie minuten hoorde ik.
Ze moeten dit tijdens lunchtijd hebben gedaan. Het is immers vaste prik voor de Fransen om van 12.00 – 13.00 een warme maaltijd te gaan nuttigen.
Al ben ik geen angsthaas, ik heb even geen zin om uit eten te gaan.

IK BEN ER OOK NOG, weer een boek dat op een uitgever wacht…

Fragment:

‘Poes, vanavond komt mijn rugbyclubje. Je zorgt zeker wel weer voor iets lekkers.’ Ze hoorde geroezemoes, gelach en gerinkel van glazen op de achtergrond voordat Aernout het gesprek afbrak.
Barbara wreef met haar hand door haar halflange haar en zette het lege espresso kopje met een klap op het aanrecht. Van de belofte om samen te gaan reizen was nog niets terechtgekomen. Vandaag was het precies een jaar geleden dat hij met pensioen was gegaan. Haar gedachten gingen terug naar die toespraak, waarin hij haar had geloofd. Haar bijdrage zodat hij een succesvol chirurg was geworden. Samen genieten… ze hoorde het hem nog zeggen. Wanneer ze iets over reizen aankaartte zuchtte hij. ‘Al die congressen, jeetje Barby begrijp jij dat ik geen vliegtuig meer kan zien.’
‘We zouden ook een cruise kunnen maken.’
‘Dobberen in zo’n klein hutje, mij niet gezien.’
‘Je bekijkt die folders niet eens. Een hut is het al lang niet meer. Het is net ze groot als een hotelkamer. Staterooms noemen ze die.’
‘Voor mij blijft het een hut.’
Met hem was niet te praten. Hij was weer helemaal in de ban van zijn rugby. Af en toe bekeek hij zijn handen, waarbij ze hem blij hoorde brommen. ‘Nu hoef ik die niet meer te sparen. God, wat heb ik die rugby gemist…’
Gisteren had ze tijdens de lezing op de bibliotheek haar besluit genomen. De woorden van de spreekster: van uitstel komt afstel… niet wachten tot morgen, want morgen komt misschien niet, spookten door haar hoofd. Nu was ze nog fit genoeg om op reis te gaan. Voor tweeënzestig zag ze er nog goed uit. Ze trok haar wangen strak naar achteren en lachte tegen haar spiegelbeeld. Als Aernout het vertikte om met haar samen te gaan, dan maar alleen op reis. Meerdere vriendinnen deden dat.
Aernout was de kwaadste niet, maar hij verwachtte nog steeds dat zij altijd voor hem klaarstond, zoals ze al vanaf zijn studententijd had gedaan.
Toen er nog geen computers waren typte ze zijn proefschrift uit. Zij was het die de kinders opving, de was deed en zijn overhemden streek als hij weer eens naar een congres ging. Meegaan zat er destijds niet in, want de kinderen hadden haar nodig. Nu stonden alle drie op eigen benen, al kreeg ze vaak het verzoek om op de kleinkinderen te passen. De kleintjes vond ze leuk, maar als pubers waren ze ronduit onuitstaanbaar geworden.
Aan het fluitje hoorde ze dat Aernout thuis was gekomen. Hij smeet zijn sportspullen in de hal, rekte zich uit en riep: ‘Poes, is er nog iets te eten? Je weet toch dat we vanavond…’ Hij wachtte haar antwoord niet af, maar pakte zijn krantje en plofte daarmee in zijn luie stoel.
Barbara ging voor hem staan. Ze haalde diep adem en zette haar handen in haar zij. ‘Aernout, wat als ik nu eens geen zin heb om voor jouw clubje te gaan koken, bedienen en op te ruimen?’
‘Barby, doe niet zo flauw, je kunt dat prima.’
Aernout zat er bij als een zoutzak in zijn ribfluwelen slobberbroek, designers T-shirt en met zijn van Bommelschoenen. Haren iets te lang, al stond hem dat prima. Hij was nog steeds aantrekkelijk en dat wist hij ook.
Barbara begon enkele decibellen hoger: ‘Vanavond doe ik dat niet. Ik heb besloten vanaf nu aan mezelf te denken. Straks ga ik naar de kapper, daarna ga ik nieuwe kleren kopen en vanavond ga ik uit eten bij De Viersprong. Zoek het maar uit, haal maar pizza’s.’
Ze draaide zich om.
Aernout reageerde niet eens. De krant zakte een centimeter, maar hij las rustig door.
Prompt ging de telefoon. Hij reageerde daar niet op.
Na vijf keer rinkelen nam zij maar op.
Haar oudste dochter was aan de lijn.
‘Mam, ik kan met Thomas mee naar Portugal, 5 dagen. Kan je komen oppassen?’
‘Nee, schat, ik ga zelf op reis.’
‘Mam, doe niet zo flauw. Heeft papa jou uitgenodigd? Kan me niet voorstellen. Zijn rugby vriendjes staan toch bovenaan zijn lijstje?’
‘Ja schat, en dat is precies de reden waarom ik nu aan mezelf ga denken. Ik heb mijn beste jaren voor jullie klaar gestaan en dat is meer dan genoeg geweest. Vanaf nu ga ik dingen doen die ik leuk vind.’
‘Nou, veel plezier, ik vraag de moeder van Thomas wel.’ Gepikeerd brak ze het gesprek af.
Aernout keek haar over zijn krant even aan en leek iets te brommen dat op onzin leek.
Barbara liep naar haar bureautje en trok het kleinste laatje open. Ze pakte haar paspoort en haar creditcard en zag dat beiden nog een paar jaar geldig waren. Ze zocht haar autosleutels, wurmde deze in haar grote shopper, pakte haar oude vertrouwde jack van de kapstok en stak haar armen in de mouwen. Ze trok de rits op en sloeg ze de voordeur hard achter zich dicht. Het grind knarste boos. In haar oude Volvo reed ze naar het dorp. Er was net een plaatsje vrij bij de kerk. Het was hier gratis parkeren. Fijn, dan kon ze op haar gemak gaan winkelen. Eerst naar de kapper. Ze stapte de kapsalon in. Sandrine groette haar. ‘Mevrouw u boft, er is een afzegging. Als u tijd heeft…’
‘Ja, nu meteen. Uitstekend. Maak er maar iets leuks van Sandrine.’
‘Gaat u zitten.’
Ze trok haar jack uit en zette haar tas naast de stoel. Afwachtend keek ze in de spiegel hoe Sandrine haar hoofd van alle kanten bekeek.
‘Meent u dat? U wilt toch altijd hetzelfde?’
‘Nu eens niet, bedenk maar iets. Een ander kleurtje? Het moet wel flatteren en het hoeft ook weer niet hypermodern.’ Ze pakte een tijdschrift en hield dat op haar oude jeansrok. Hoog tijd om ook die te vervangen.
‘Mevrouw, ik heb al een idee.’
‘Ga je gang.’
Ze sloot haar ogen en voelde Sandrines kundige handen door haar haar gaan. De kapster borstelde het haar achterover en pakte de wasbak. Gewillig leunde ze haar hoofd achterover en hoorde het water al uit de handdouche komen.
Ze gniffelde toen ze aan Aernout dacht. De keuken zou straks wel een puinhoop zijn. Flink zijn, sprak ze zichzelf toe. Nu niet meer toegeven.
Twee uur later bekeek ze zichzelf in de spiegel. Het nieuwe kleurtje stond haar prima en de korte coupe flatteerde enorm.
‘Bent u tevreden?’
‘Sandrine, geweldig. Ik moet er even aan wennen dat ik dit ben. Nu wil ik nog nieuwe kleren.’
‘Gaat u op reis?’
‘Ik zit daar hard aan te denken meisje.’
‘Kijkt u eens bij Spetters, een nieuwe boetiek, hij zit naast de kaasboer.’
‘Dank voor de tip Sandrine.’
Ze rekende af, pakte haar spullen op en stapte neuriënd de kapsalon uit.
Na een stukje rijden, parkeerde ze de auto op het marktplein. Ze zag het winkeltje al. Voor de etalage bleef ze staan. Mooie kleren, natuurlijk materiaal. Ze las de zwierige letters: kasjmier, zijde, katoen en wol. Het belletje rinkelde toen ze de deur opendeed.
Een jonge vrouw kwam haar tegemoet en keek haar vriendelijk aan. ‘Wat kan ik voor u doen mevrouw?’
Barbara wees naar haar jeansrok en haar jack. ‘Ik ben deze praktische kleding meer dan beu. Ik wil beginnen met twee nieuwe outfits, beiden voor het tussenseizoen. Ik zag in de etalage een mooie omslagdoek, kasjmier zo te zien. Kijkt u maar wat mij het meest flatteert.’
De eigenaresse knikte begrijpend, kneep haar ogen half dicht, liep om haar heen met haar hand onder de kin en mompelde iets in zichzelf. Hier en daar pakte ze een kledingstuk, hield dit haar voor en verwisselde een paar stukken. ‘Met deze kleren lijkt u langer… geel, roze en lichtblauw zijn uw kleuren. Kijk ik heb hier enkele kasjmier tricots. Een lichtblauwe suède rok met daarover een zachtgeel kasjmier twinset… prachtig.’
Barbara voelde de zachte stof en knikte enthousiast.
‘Ook twee jurken voor dinertjes graag, maar niet te stijf.’
De vrouw opende een spiegelkast en pakte twee schitterende jurken.
‘Mooi, maar ik wil liever iets dat niet kreukt… voor op reis.’
Met opgetrokken wenkbrauwen, spitte de vrouw haar voorraad door en hield twee andere jurken op. ‘Zoekt u zoiets?’
Barbara knikte. ‘Ja, dat is precies wat ik in gedachten had. Die wil ik eerst passen.’
‘Wilt u koffie?’
‘Dolgraag, ik heb gewoon vergeten te lunchen. Ik merk dat ik rammel.’
‘Ik kan ook een broodje voor u halen.’
‘Oh, als dat niet teveel moeite is…’
Ze stond in haar onderjurk en wilde de mooie jurk over haar hoofd doen.
‘Kom ik help u even. Bekijkt u rustig wat u wilt hebben. Ik ben zo terug. Is zalm goed?’
‘Heerlijk,’ riep ze op kousenvoeten.
De stapel kleren die ze graag wilde hebben groeide. In de etalage lonkten enkele schoenen en een paar smaakvolle handtassen haar toe. Ook hiervan legde ze er een paar bij de stapel.

Tegen halfzes kwam ze bepakt en bezakt thuis. Op de oprit stonden al enkele auto’s van Aernouts buddy’s.
Zingend liep ze naar boven. Ze was net halverwege de trap, toen Aernout de gang opkwam.
Hij keek op zijn horloge. ‘Net op tijd om te gaan koken poes.’
‘Heb je niet gehoord wat ik vanmorgen zei? Schat, ik ga straks uit.’
Verbluft liet ze Aernout achter. In de slaapkamer gooide ze de glimmende draagtassen op het bed en viste de jurk uit een zak die ze wilde aantrekken.
Aernout had niet eens opgemerkt dat ze naar de kapper geweest was en dat ze er nu veel beter uit zag. Al droeg ze een vuilniszak, hij zag haar gewoon niet meer.
Ze pakte een mooie nieuwe tas uit. Plaats genoeg voor haar sleutels, autopapieren en smartphone. De grote afgeleefde shopper gooide ze in de prullenbak. Gauw een douche, deodorant op, parfum, schoon ondergoed, kousen en de nieuwe schoenen aan. Ze trok de jurk voorzichtig over haar hoofd en bekeek zichzelf in de spiegel.
Na een goedkeurend gemompel, pakte ze haar nieuwe kasjmier omslagdoek en liep de trap af.
‘Wow,’ hoorde ze Egbert die net van de wc af kwam, mompelen. Hij draaide zich om en hees zijn broek op. ‘Ga je uit? Krijgen we vanavond niets?’
‘Goed gezien Egbert, je bent een grote jongen, dus jullie redden je wel.’
Hij sprak geen woord en keek haar alleen maar aan.
‘Dag, prettige avond.’

Twintig minuten later stond haar auto op de parkeerplaats van De Viersprong, het restaurant waar ze altijd met Aernout at wanneer ze iets te vieren hadden. Voorzichtig om haar hakken te sparen, liep ze langzaam over het grind naar de deur.
Jules, de gerant begroette haar. ‘Komt mijnheer later?’
‘Nee, Jules, hij eet met zijn rugbyclubje. Ik trakteer mezelf vanavond.’
Hij leidde haar naar een tafeltje in een hoek.
Ze trok een wenkbrauw op. ‘Zeg Jules, mag ik als vrouw alleen niet aan onze vaste tafel zitten? Prop mij niet in een hoekje, alsjeblieft.’
Jules keek zuinig.
‘Nou, vooruit…’
Een van de andere gasten keek op. Ze voelde zijn blik en keek om. Hij kwam haar ergens bekend voor. De man stond op. ‘Barbara is het niet? Ik ben Bert, Bert van Nispen, weet je nog?’
Ze keek de man vragend aan. Toen wist ze het weer. Stralend zei ze: ‘Bert, natuurlijk… jij zat toch in Nieuw Zeeland? Terug? Goh, ik had je hier niet verwacht, sorry dat ik je niet meteen herkende. Hoe gaat het?’
Uit zijn blik merkte ze op dat het beter kon.
‘Ben je hier alleen Barbara? Ik ving net zoiets op.’
‘Ja, jij ook?’
‘Bezwaar om samen te eten?’
‘Helemaal niet.’
Jules was al bezig bij te dekken aan de tafel van Bert.
Barbara nam Bert goed op. Hij miste iets van de zwierigheid van vroeger. Slanker dan Aernout, licht kalend en grijs aan zijn slapen. Ze had hem tijdens de vorige reünie van haar school gemist. Vaag had ze iets opgevangen dat zijn vrouw kanker had.
Jules schoof een stoel voor haar achteruit.
Ze ging zitten.
Bert vroeg de kaart.
‘Zo, is er een speciale reden dat je hier bent?’
‘Ja. Nu Marga er niet meer is… ik wordt ook een dagje ouder… dat pensioen… ik eh… eigenlijk wil ik hier oud worden.’
‘Nederland is niet meer wat het geweest is hoor.’
Hij keek naar zijn handen. ‘Weet ik, maar nu ik nog goed ben lijkt me een pied à terre kopen geen slecht idee. Ik kan dat altijd verhuren.’
‘Zo kun je het ook bekijken. Ik dacht dat Nieuw Zeeland geweldig was. Laatst hoorde ik enthousiaste verhalen van vrienden die in… hemel… hoe heet dat hotel ook alweer…’
Ze trok een denkrimpel en stak toen plotseling haar vinger omhoog. ‘Ik weet het weer Madoo Lodge… een plaatje, ik zag foto’s… Zegt dat jou iets? Ze vonden het daar fantastisch.’
Bert gniffelde. ‘Dat is ook toevallig… daar heb ik jaren de scepter gezwaaid.’
‘Je meent het… en nu wil je terug naar ons kikkerlandje?’
‘Het is daar inderdaad schitterend, maar in Nieuw Zeeland heb ik geen gewoon leven.’
‘Het was zeker geweldig om daar te werken. Eerlijk gezegd ben ik de situatie thuis even beu. Ik dacht er zelfs over om daar een tijdje te gaan logeren.’
‘Een dure grap hoor, deze Lodge behoort tot de beste hotels ter wereld, maar ik kan er voor zorgen dat je voor een vriendenprijs terecht kunt.’
‘Dat zou geweldig zijn. Wat versta je onder duur?’
Bert wierp haar een veelbetekenende blik toe.
‘Zeg, meende je dat je daar zou willen werken? Sorry, dat ik van de hak op de tak spring, maar…’
‘Waarom niet. De hele dag niets doen ligt mij niet. Zorgen voor anderen doe ik mijn hele leven. Aernout vertikt het om te reizen. Na al die medische congressen heeft hij het wel gezien. Ik zat thuis met de kinderen. Vind je het gek dat ik nu iets voor mezelf wil doen? Nu kan ik dat nog. Een jaar er tussen uit, iets van de wereld zien… daar kijk ik echt naar uit.’
Bert wenkte de ober.
De man kwam met twee kaarten aanzetten.
Ze pakte de kaart en las snel het middelste menu. Ze wees er met haar vinger op. ‘Dit menu ziet er prima uit. We nemen nooit het goedkoopste of het duurste menu. Wat jij?’
‘Als jij het zegt…’
Ze zag hem goedkeurend knikken toen hij het gelezen had.
‘Laten we meteen bestellen voordat we blijven kletsen.’
‘Ik neem aan dat jij er ook graag wijn bij hebt. Is het wijn arrangement goed genoeg voor jou?’
‘Prima.’
Ze deed het servet op schoot en keek Bert afwachtend aan.
‘Toevallig zoeken ze iemand van jouw kaliber. Je zou dit tijdelijk kunnen doen voordat ze iemand gevonden hebben voor vast. Aan je gezicht zie ik dat je liefst vanavond al zou willen vertrekken.’
Ze grinnikte. ‘Dan kost mij dit dus niets?’
‘Integendeel, je zou zelfs een salaris krijgen, maar dan krijg je gedonder met de fiscus. Pensioen en zo. Ik mail ze wel. Daar is vast een mouw aan te passen. Als je daar als consultant bent, is er geen vuiltje aan de lucht. Je krijgt je salaris dan gewoon op je Nederlandse rekening.’
Barbara slaakte een diepe zucht. ‘Het lijkt erop dat dit zo heeft moeten zijn.’
Bert keek naar de fles die bij het wijn arrangement zat en mompelde goedkeurend.
‘Ik zit hier maar over mezelf te zeuren. Ik hoop niet dat Marga erg geleden heeft… kanker niet?’
‘Ja, een rot ziekte. Ze was erg moedig. Ik mis haar natuurlijk enorm, maar het leven gaat door. Net voor mijn pensioen. Van samen leuke dingen doen is niets gekomen.’
Ze snoof en dacht aan de dingen die Aernout beloofd had. Nee, een jaartje afstand nemen… ze kreeg er hoe langer hoe meer zin in.
‘Koffie?’ vroeg Bert toen ze een heerlijk dessert voorgeschoteld kregen.
‘Ja, beter wel. Ik moet nog rijden. Ben jij met de auto?’
‘Nee, ik loop wel.’
‘Kan ik iets voor je doen?’
Bert schudde zijn hoofd. Hij keek op zijn horloge. ‘Met het tijdsverschil kan ik beter nu bellen. Ik weet hoe erg ze omhoog zitten.’
Hij wenkte de ober om af te rekenen.
‘Bert ik betaal de helft.’
‘Geen sprake van. Als ik met jou bij mijn opvolger op de proppen kom, voel ik mij al een stuk beter. Het was een deel van mijn leven. Wonen jullie nog steeds in dezelfde villa?’
‘Ja. Hier is mijn kaartje met mijn mobiele nummer. Het is nog vroeg en ik slaap toch pas laat.’
Bert sloeg haar cape om haar schouder en gaf haar een discrete kus. ‘Ik bel je zo snel mogelijk.’

Op de weg naar huis zag ze zich al in Nieuw Zeeland zitten.
Benieuwd wat Bert haar zou vertellen, liet ze de Volvo buiten het hek staan. Uit de keuken klonk luid gelach. Ze rook dat er iets was aangebrand. Zo zacht mogelijk liep ze naar boven. Beter slapen in de logeerkamer, dan met een half zatte snurkende Aernout naast zich.
De nieuwe aanwinsten lagen nog op haar bed. Ophangen en slapen, nam ze zich voor.
In de badkamer ging haar mobieltje. Bert zag ze.
‘Je bent daar van harte welkom. Hoe eerder hoe liever. Schikt het als ik morgenochtend langskom? Ik zorg dat je ticket besteld wordt. En Barbara… ik heb genoten om met je te praten.’
‘Bert morgen is prima.’
‘Fijn, slaap lekker, see you.’ Hij had al weer neergelegd.
Woelend lag ze in het logeerbed. Best spannend om naar Nieuw Zeeland te gaan. Eenzaam zou ze zich daar niet voelen. Vast veel interessante gasten… ze zou daar als ze weer terug was vast een boek over kunnen schrijven. Langzaam dommelde ze in.

De wekker van haar telefoontje rinkelde. Half negen. Mooie tijd om op te staan. Bert zou langskomen. Met gespitste oren liep ze naar de badkamer. Vanuit hun slaapkamer klonk een zacht geronk. Ook na haar douchepartij hoorde ze Aernout nog niet rommelen.
Gekleed in haar nieuwe suède rok en gele kasjmier trui met halve mouwen, liep ze naar beneden.
De keuken was een slagveld. Ze duwde enkele vuile borden opzij en begon koffie te zetten. Snel at ze twee plakken koek staand aan het aanrecht. Een blad met twee kopjes, enkele chocolaatjes en een paar suikerklontjes zette ze alvast in de zitkamer.
Aernout kwam op de geur van verse koffie in kamerjas naar beneden. Hij gaf haar een afwezige kus in haar nek. ‘Zo poes, nog niet aan de slag?’
Ze pakte hem bij beide armen beet. ‘Nu moet je eens echt naar mij luisteren. Ik ben er ook nog en ik vertik het om te blijven koken en opruimen voor jouw vriendjes. Je bent nu bijna een jaar met pensioen en wat hebben we samen gedaan? Niets toch? Ik vertrek naar Nieuw Zeeland. Ik ga daar werken.’
Aernout barstte in lachen uit. ‘Jij werken? Je kunt niets.’
Ze beukte met haar vuisten op zijn borst.
De bel ging. Ze liep naar de deur en liet Bert binnen.
Aernout geeuwde en wreef over zijn haar. ‘Hé Bert, hoe is het? Long time no see…’
Barbara pakte Bert bij zijn arm. ‘Kom Bert, Aernout moet opruimen… de koffie staat binnen klaar.’
Verbluft bleef Aernout staan voordat hij haar achterna kwam. Met half openhangende kamerjas brieste hij: ‘Wat zijn dat voor smoesjes. Vertrek jij zomaar met Bert?’
Bert kwam tussenbeide. ‘Aernout, even rustig ja. Ik kan het uitleggen.’
‘Uitleggen? Godsamme, dat zegt elke vent die met de vrouw van een ander slaapt. Eruit verdomme.’
Aernout pakte Bert stevig beet en wilde hem een klap geven.
‘Als je niet ophoudt, ga ik meteen pakken,’ riep ze.
Bert hield Aernouts beide armen stevig vast. ‘Barbara, wacht even, geef je man eerst een sterkte koffie. Daarna vertel ik hem hoe de vork in de steel zit.’
Aernout struikelde over de loshangende punt van zijn peignoir en vloekte.
Barbara schonk een mok koffie. Ze hield deze Aernout voor. ‘Vooruit drink op.’

‘Jezus, je meent het,’ sprak Aernout een half uur later. Hij wreef met zijn hand door zijn te lange haar en zuchtte.
Barbara pakte de lege mok aan. ‘Je hebt het er naar gemaakt.’
‘Sorry, ik heb het niet zo bedoeld.’
‘Kan wel zijn, maar ik ken jou. Als we samen oud willen worden, zal een jaartje weggaan wonderen doen.’
Aernout begon te hikken. Bert stond op en liep naar de keuken. Ze hoorde hem de kraan opendraaien en zachtjes een paar keer oh herhalen. Hij kwam terug met een glas water en gaf dit aan Aernout.
Aan Berts gezicht kon Barbara zien dat hij de zooi in de keuken gezien had. Hij gaf haar een begrijpend knikje.

Aernout bracht haar naar Schiphol. Hij keek bedrukt en mompelde steeds: ‘Poes toch…’
‘Ja, poes gaat op stap. We kunnen mailen en Facetimen. Een jaar is zo om. Wie weet hebben ze al eerder iemand gevonden en dan kan ik mooi van die centjes een reis maken.’
‘Ik hou van jou hoor…’
‘Daar twijfel ik niet aan, maar je ziet mij gewoon niet meer als vrouw. Handige keukenmachine, zo voel ik mij. Doe je rugbyvriendjes de groeten.’
Met rechte rug volgde ze de procedures van het inchecken. Na het doorlopen van de taxfree winkeltjes, was het al weer tijd om te boarden.
In het vliegtuig twijfelde ze even. Had ze er wel goed aan gedaan om zo overhaast te vertrekken? Ze keek om zich heen. Bert had businessclass voor haar geregeld. Heerlijk. Ze rekte zich even uit en pakte de papieren die Bert haar had laten tekenen. De taak die haar daar wachtte kende ze al bijna van buiten.
Voor de tussenstop in Singapore had Bert geadviseerd om beter een hele dag uit te trekken.
‘Je komt dan niet zo groggy aan en je kunt daar prima winkelen. Neem een taxi naar Orchard Street.’
Dat klopte. De taxi’s kosten een schijntje. Ze kocht een goede compact-camera, een paar mooie zomerkleren en heerlijk zittende zomerschoenen. Bij Starbucks pakte ze haar mini iPhone en installeerde de gratis wifi. Ze zette Facetime aan en belde Aernout. Hij keek verheugd toen ze hem enthousiast vertelde over de goede vlucht.
‘Singapore, daar ben je toch ook geweest?’
Ze zag hem blozen. Hij sloeg zijn ogen neer en zei kort dat hij het hotel nauwelijks was uitgegaan. Een klein addertje begon te knagen. Aernout met een ander? Boos sloot ze het gesprek af. Verdorie. Ze slikte een opkomende traan weg en bestelde prompt een tweede espresso. Met gemengde gevoelens hield ze een taxi aan om zich naar de luchthaven te laten brengen.
Tijdens de tweede vlucht doezelde ze niet weg. Ze dacht aan zijn avontuurtje in Singapore en voelde zich flink gefopt. Zij maar braaf zijn terwijl hij… De steward kwam langs en vroeg of ze iets wilde drinken. Uit balorigheid bestelde ze een single malt.
Het vliegtuig begon al te landen. Door het raampje was een stuk van het eiland te zien. Het weer beloofde veel goeds. De piloot riep om dat het vandaag 28 graden zou zijn.
Ze was snel door de douane. Tijdens het wachten op haar koffer bekeek ze de mensen en zag dat bijna iedereen in vlotte vrije tijdskleding liep. In de ontvangsthal herkende ze het grote bord van de Lodge al. Ze knikte naar de chauffeur en noemde haar naam. Meteen pakte de man haar koffer op. ‘Gaat u maar vast in de auto zitten. Ik moet nog iemand meenemen die met de vlucht uit Zurich aankomt. Kunt u 10 minuten wachten?’
Natuurlijk maakte ze daar geen bezwaar tegen. De man vertrok en hij liet haar in de auto achter, met de airco aan. Ze pakte de folder van de Lodge die voor de gasten klaarlag.
Ze was daarin zo verdiept, dat ze niet merkte dat de andere passagier al gearriveerd was. Stom verbaasd bekeek ze de man die instapte.

TWO YEARS IN ABSURDISTAN, mijn vertaalde boek WAAROM BULGARIJE is net klaar

Fragment:

AUGUST 1993

The call that would change our life came Mid-August 1993. It was around eight in the evening, when a befriended Dutch consultant dropped the bomb. John poured us a stiff drink. A French colleague consultant was looking desperately for an expert in banking and our friend considered my husband the ideal candidate for this project. Now Eastern European countries wanted to imitate the Western standard of living.
The EBRD showed interest to create a new Bulgarian Investment Bank. The project leader would be the president of this investment bank and therefore he had to live for several years in Sofia: Quite a challenge, and a big change from our daily life. Our friend told John that he had hesitated to ask this because daily life in Bulgaria was not exactly the same as we were experiencing right now in one of the best parts of the Netherlands. It was a rush job and time ran out. This idea intrigued us. Apparently, it was time to change our lives.
Our friend had informed his French colleague as next morning a Mr. Perron phoned to ask if John would be interested in this assignment. Would he accept the post as team leader for this mission, and be the president of this bank-to-be? Perron would send documentation. The first meeting was already set for September 1st in Paris.
It was an interesting challenge for John; creating a bank from scratch. His banking experiences were exactly what they needed for this project.  However, were we interested to live in Sofia? That was the big question. Frankly speaking, we thought rather lightly about living there; it was still Europe and Bulgaria was not at the end of the world.
Because banking knowledge was nearly non-existent in Bulgaria, the EBRD (European Bank for Reconstruction and Development) wrote a so-called tender to find out, which Western Bank could provide management for this project.
Let me explain what this so-called tender means. Actually, it is a kind of competition and the winner gets the assignment. International help organizations like the World Bank or the EBRD that provide money for a certain project write a “tender”. They invite several European banks to deliver a fat important looking report about how they can offer their services, giving a list of candidates to do the job as well. Usually, the bank with the best report wins, but I know that sometimes politics push certain banks… Of course, only an excellent high-tech report does not help; the quality of candidates matters as well.
For this creation of an investment bank, a real Bulgarian one, Sofia was the place to be.
After the collapse of the Berlin Wall, it was the first time that the EBRD considered Bulgaria interesting enough to pour in some development money.
There was a right moment for everything and as we were in the situation that “we had seen it all,” a big change like this was perfect to refresh our predictable life.
John went to the Paris Headquarters of the French bank where Mr. Perron was the manager of the consultant’s department.
After they looked into my husband’s blue eyes, the signing of official papers was the next step.
John met the person that would be his financial director, an intelligent and knowledgeable man. The other Frenchman was not present and when John told me this, I said that I would not be surprised if possible candidates objected leaving France to live for several years, in presumed Bulgarian misery.
When the EBRD had nominated the winner of the tender, they wanted to start this project as soon as possible, being the first one that had to deal with new ventures to privatize companies.
The EBRD had October 1993 in mind to set things in motion as, according to their optimism, they had everything under control.
A cluster of five Bulgarian banks would join in this project, all wanting to grab the opportunity to improve their knowledge and of course to boost the balance of their bank account. Next, to provide Western management, the EBRD took part in the cake with shares.
For the job, John would get a monthly salary, a car with a driver and all expenses paid. It sounded great, but details regarding those expenses remained vague.
This interesting challenge intrigued John, as it would be a pure Bulgarian bank and not a branch of a Western one. He could use all his own ideas and imagination to create a model bank and he saw it as a dream project.
This mission changed our well-organised life drastically.
Soon the Bulgarian bug infected us. We realized that we could not back off if the French bank that would get Johns’ signed contract won the tender. Therefore, it was all or nothing: continuing our convenient life or going back to basics.
My other half worked for quite some years as a managing director for one of the biggest Dutch banks. When this financial institution merged with another Dutch bank, John quit his regular job. To avoid boredom and not to waste his knowledge, he traveled regularly to countries like Poland, Hungary, and Rumania to give financial advice. So far, all assignments were short-term and as long as our children were still frequently coming home, he never accepted long-term contracts. However, our children soon would finish their studies and John ventilated that he would accept long-term assignments as well.
As an independent consultant, John got irregular job offers. Last month’s nearly nothing interesting came along but suddenly John received three job possibilities in the same week. Next, to the option in Bulgaria, another institution asked him to be vice president in Poland of a large international consultants group. The third offer meant staying in Holland to coordinate financial projects all around Eastern Europe. Financially the Polish assignment was a heavy winner. The coordination job meant traveling around a lot but the Bulgarian post, although it paid far less, was most interesting. We compared those with a pear (Poland: juicy and big), an apple (staying in Holland: predictable and solid) and a prune (Bulgaria: small and with surprises such as a possible worm).

I had guessed right: soon John found out that indeed nobody of this enormous French bank was volunteering to give up Western comfort; staying in a decent hotel “yes,” but renting a crummy place in Sofia and living in East bloc style “no”. Living in a hotel for two or three years was above the budget of this “help project”. As the president of a Bulgarian bank had to reside in this country, renting a decent house or apartment was the only solution. Hotels charged ridiculous high Western prices. Housing did not cost an arm or a leg for the locals, but ripping off foreigners was a hobby, I soon found out.
We thought this project over and 1000 scenarios raced through our mind. It would be a thrilling change of our daily life for the coming years. I knew where Bulgaria was located, but I had no clue about their mentality or lifestyle.
As my generation of spouses used to do, I always followed John when he got a job in another country. Going to Bulgaria was a free choice. Although I had to give up all my activities, I was “in” for this challenge as well. I was a busy person and everywhere we lived, I could share my creative skills. The piano was my greatest love and although a soloist career was not in my package anymore, I knew how rewarding teaching was. Several years ago, I discovered my knack for porcelain painting. My third activity was my “Easy and Elegant” cooking lessons. On top of it, I made music with friends. Most of my activities I could probably continue to do in Bulgaria and perhaps the locals would appreciate my creativity. Since the Wall had toppled, I supposed that the creepy East Bloc ambiance had changed for a better one. When the old system was still “working” in Eastern Europe, I had traveled in those countries several times. In Prague, the complete inventory of a shop was in its show-window and in Budapest, it was a bit better regarding food and stuff; especially sheet music. The food that I got in the restaurants of big state-owned hotels in Rumania was so bad, that I would not think of giving it to my dogs. In Prague, you could eat rather well when you knew some places. Budapest’s restaurants served rather greasy food. I knew that Bulgaria produced yogurt, good wines, and rose-oil, but I ignored the rest. I got no first-hand information, as none of our friends ever chose Bulgaria for holidays.
Grim spy stories were another matter. Although I love to read them, I was shocked at their original way of killing their so-called enemies with a poisoned umbrella tip.
Their rose-valley was gigantic, but I did not expect “La vie en rose” in Bulgaria. Because this country was a closed book to me, I tried to find out as much as possible. Our encyclopedias were of little help. Up-to-date information lacked and the figures about some trade were dull and unexciting to me.
Although it was not yet certain that the French Bank would win the tender, a good preparation seemed best, for “just in case”. The Balkan triggered my curiosity and I wondered how to cope with the mentality.
Its language was Abracadabra for me. I could not even read Cyrillic characters. Bulgaria’s second language was Russian. Some elderly spoke German and only a few youngsters could manage with English. John had some knowledge of Greek and Russian, so for him, the funny Cyrillic signs held no secret, but they did for me.
Finding a dictionary was impossible, even the Slavic Institute could not help. Options for an English, French, German, Italian and Spanish version did not exist either. The library had not much to offer: a few outdated travel guides with black and white pictures of remarkable monuments and some history were all I could find. Nobody thought it an interesting place to write about. Travel agents were no help either. A shoestring budget trip to a skiing resort or Black Sea skin burning holidays were not exactly helpful when you look for information regarding immigration and daily life.
I fantasized about living in Bulgarian Style. I saw scenes, with people singing folk songs, during their agricultural work. A warm welcome would wait for us, as they jumped to the opportunity to learn as much as possible to improve their standard of living. Perhaps we could rent a nice wooden Dr. Zhivago-type house and listen every evening to passionate gypsy music. Sightseeing and creating great things were on my imaginary list as well. Luckily, I have an optimistic mind, as otherwise, I would not have thought about living there because the reality was quite different.
Travel guides revealed nothing about crime and violence. Alas, they proved wrong, as the spread of evil went quicker than the printing of this document.
In wealthy Netherlands, we had all imaginable comforts.
Our children had nearly finished their studies and we felt sufficiently young to start something silly like this big project. Considering ourselves old and wise enough not to make too many stupid mistakes, we decided to jump into the Bulgarian adventure. The only thing we knew for sure was that it would not be boring.
Our children thought it a splendid idea: good for Dad to create “his own bank” and for Mom to use all her practical and creative skills. Besides, they looked forward to visiting us in a country that was new for them.
Not all our friends shared our enthusiasm. Some warned us or declared us mad. Others told us frankly that they wished they had our guts, to be in for a total change and to temporary accept a much lower standard of living. Surviving with less for a few years would not do harm.
As no information leaked out about Bulgarians’ growing nouveau rich Mafia, we still considered it a safe country.
Because friends and relatives were utterly curious, I promised them to write monthly letters with all details of our new life.
I still had two living creatures to care for and leaving without them was out of the question. We loved our dogs, a beagle, and a Labrador retriever. Moving dogs complicated matters, but diplomatic friends always had managed to bring their beloved animals in another country, so why not us?

fragment DE CONTAINER

img_4093

WENEN – augustus 2007

Elisabeth bukte zich om de post van de mat te pakken. Snel bladerde ze de weinige poststukken door. Geen condoleance brieven meer. Met opgetrokken wenkbrauwen bekeek ze het stempel op een goedkope enveloppe. Het was een brief van de belasting. Zacht mompelde ze: ‘Wat nou weer’. Met haar vinger scheurde ze de enveloppe open en kreunde zacht toen ze zich aan het papier sneed. Het wondje begon te bloeden. Stom dat ze niet even de briefopener had gepakt. Ze zoog het bloed op, pakte de papieren uit de enveloppe en voelde kippenvel opkomen toen ze het krankzinnig hoge bedrag gezien had. Ze liep naar Alex bureau en zocht daar steun. Dit moest een vergissing zijn. Robert had alle officiële zaken direct na Alex’ dood geregeld. Ze liet de papieren op het donkergroen leren blad liggen. In de badkamer zocht ze een pleister. De spiegel toonde dat alle kleur uit haar gezicht was weggetrokken. Met de pleister om haar vinger, liep ze terug naar Alex’ bureau, pakte de telefoon en drukte het nummer van Alex’ oude kantoor in. Trommelend met haar vingers op het bureau wachtte ze tot ze verbinding kreeg. Gelukkig kon Robert haar gesprek meteen aannemen. Voordat hij iets kon zeggen stak ze van wal. ‘Robert, dit is van de gekken. Als executeur heb jij toch alle papieren van de belasting gekregen? Ik heb hier een brief in mijn handen van die lui. Dit kwam net met de post. Volgens hen moet ik over Rosenburg erfbelasting betalen. Die ambtenaren willen een belachelijk bedrag… over mijn eigen bezit nog wel. Dat kan toch niet… Ze moeten een fout gemaakt hebben. Kan jij ze dat vertellen?’
‘Elisabeth, ik zal die brief toch eerst moeten lezen, voordat…’
‘Kan je niet meteen komen? Ik sta te trillen op mijn benen.’
‘Oké, ik kom wel. Maak je niet druk.’
‘Dat doe ik wel, een of andere sufferd heeft een fout gemaakt en…en…’
‘Alsjeblieft, ga rustig zitten. Eerst moet ik die papieren doorlezen voordat ik actie kan ondernemen.’
‘Goed Robert, fijn dat je kunt komen… hoe laat?’
‘Ik heb nu nog een afspraak…ik… eh… ‘
Ze hoorde hem in zijn agenda bladeren.
‘Zo snel mogelijk na 6 uur.’
‘Fijn.’
Ze verbrak de verbinding en zakte achterover in Alex bureaustoel. Met haar handen wreef ze over haar gezicht. De klok gaf vier uur aan. Ze streek de papieren glad al voelde ze de neiging opkomen om deze te verscheuren.
Ze liep doelloos door haar flat, waarbij ze de tijd angstvallig in de gaten hield. In de keuken bekeek ze haar voorraadkast. Ze opende een zak zoute amandelen en besmeerde enkele toastjes. Tegen half zes pakte ze een Meissen schaal en een bakje en deed daar de hapjes op. Ze bracht dit naar binnen en keek weer op haar horloge.
Zodra de bel ging haastte ze zich naar de voordeur. In het kijkglaasje zag ze Roberts gezicht. Snel deed ze open. ‘Robert, fijn dat je meteen kon komen. Eerlijkgezegd heb ik het niet meer.’
Ze ging hem voor naar de woonkamer en keek naar de zwartleren map die hij bij zich had. ‘Ga zitten. Robert wat heb je nu weer bij je? Ik dacht dat alle formaliteiten al zijn afgehandeld. Kijk dit is het.’
Robert, keurig in krijtstreep pak, nam de aangeboden papieren aan en zette zijn zwart leren tas neer. Na een gebaar van haar ging hij achter Alex’ bureau zitten. Ze pakte het stoeltje tegenover het bureau, bleef staan en leunde met beide handen op de rugleuning. Robert begon de papieren op zijn gemak door te lezen, waarbij ze de neiging onderdrukte om meteen naar het bedrag te wijzen. Met moeite probeerde ze zo rustig mogelijk te wachten tot hij opkeek. ‘Robert, dit kan niet.’ Elisabeth plukte een pluisje van haar beige kasjmier vest.
De jonge advocaat schoof ongemakkelijk op de stoel en haalde hulpeloos zijn schouders op.

Elisabeth boog naar voren. ‘Je wilt toch niet beweren dat ik dit moet betalen?’ Ze trommelde met haar vinger op de naam Dolak. ‘Von Wohlleben moet het zijn. Rosenburg is van mij. Het zou toch te gek zijn als ik over mijn eigen bezit erfbelasting moet betalen?’
‘De papieren…’
Driftig zwaaide ze met haar wijsvinger. ‘Niets, die papieren. Rosenburg is van mij.’‘Maar Alex heeft daar toch gewoond? Hij betaalde de restauratie.’
‘Jongen, de vader van Alex was onze rentmeester. Hij woonde met zijn gezin in het poorthuis. Eerst pikten die afgrijselijke communisten de huizen van het personeel in en werd mijn vader verplicht om inwoning te accepteren. Zo kwamen de Dolaks op ons kasteel te wonen. Je kunt je niet voorstellen hoe dat gegaan is.’
‘Maar zijn naam…’
‘Blijkbaar hebben de ambtenaren in Praag Dolak ingevuld in plaats van von Wohlleben. Alex ging naar Praag om de terugvordering te regelen. Als advocaat kon hij dat beter dan ik.’ Ze snoof. ‘Je weet hoe sommige ambtenaren nog op vrouwen neerkijken. Mijn vader, baron von Wohlleben, kreeg geen cent toen de communisten zijn bezit inpikten. Na ruim veertig jaar kreeg ik het terug. Nou kreeg… Alex heeft hemel en aarde moeten bewegen. Toen ik Rosenburg weer zag… uitgewoond door een stel barbaren en subsidie om de ellende op te knappen, ho maar. Gelukkig heeft mijn vader dit niet gezien. Hij zou een hartstilstand…’ Ze sloeg haar hand voor haar mond en sloot even haar ogen.
‘Elisabeth, ik zal kijken wat ik kan doen.’
‘Sorry, wat ben ik voor een gastvrouw. Natuurlijk is het niet jouw schuld. Ik zit hier maar te klagen. Wil je een glas wijn Robert?’
Hij knikte.
Ze liep naar de ouderwetse keuken en kwam terug met een fles en twee kristallen glazen. Ze wees naar de schaal nootjes en hapjes. ‘Neem als je blieft. Vroeger was onze wijn een top product. Alex wilde eerst het slot restaureren en daarna de wijngaard aanpakken. Nu…’
‘Je mist hem erg hè?’
‘Vreselijk Robert. We kenden elkaar door en door. God, waarom kreeg hij die stomme hartstilstand…’
Ze zette de glazen voorzichtig neer en gaf hem de kurketrekker. Robert ontkurkte de fles en rook aan de kurk. Ze schoof de glazen in zijn richting en keek hoe hij die zorgvuldig inschonk. Beiden hieven het glas.
‘Hm, lekker.’ Robert knikte.
‘Robert, je bent te beleefd. Het smaakt naar niets. Probeer iets aan die erfbelasting te doen. Als mijn laatste geld ook nog eens wordt ingepikt, kan ik het opknappen van de wijngaard vergeten en dan bedruipt Rosenburg zich nooit.’ Ze streek een grijze lok uit haar gezicht en zuchtte.
‘Kom, niet de moed verliezen, dat is niets voor jou.’
‘Jij hebt gemakkelijk praten, je bent nog jong. Zoveel jaren om het domein te herstellen heb ik niet meer.’
‘Voorlopig begin ik om uitstel te vragen.’
‘Uitstel… maar zie je dan niet dat…’
‘Zo werkt het niet. Na uitstel, stuur ik een bezwaarschrift, liefst natuurlijk met documenten waaruit blijkt dat jij en niet Alex de eigenaar bent… was… maar…’
‘Alle documenten die we hadden heeft Alex meegenomen naar Praag. Daarop heeft hij teruggave kunnen regelen. Ik geloof dat hij die moest afgeven… oh… nee.’ Ze slikte.
‘Ik zal alles proberen…’
‘Fijn. Het spijt me dat ik je weer aan het werk zet, maar dit had ik nooit verwacht… om ook nog eens…’
‘Gaat het? Ik moet er helaas vandoor… moet nog iets opzoeken.’
‘Fijn dat jij dit wilt doen. Dank voor je bezoek, groeten aan Berthe.’
Robert trok een gezicht, waaruit ze niet kon opmaken of het deze brief van de belasting betrof of zijn vrouw Berthe.
Ze kon wel huilen toen ze hem uitliet. Morgen wilde ze naar Rosenburg. Op haar horloge zag ze dat het al bijna 10 uur was.

Woelend in haar bed telde ze de slagen van de kerkklok en kwam tot 6. Door haar oogharen zag ze dat het al licht was. Haar hand gleed over het laken naar de plek waar Alex bijna 40 jaar had gelegen. Waarom was je zo stom om mijn naam niet te melden…Zittend op de rand van het bed, zochten haar voeten de slippers. Ze liep naar de badkamer en opende de kraan van de douche. Het water werd niet warm. Alles komt ook tegelijk, mompelde ze.
Door de koude douche was ze wel meteen wakker. In haar kamerjas liep ze naar de garderobe en zocht sportieve kleren voor Rosenburg. Gekleed in een beige linnen broek en blouse liep ze geeuwend de zitkamer in en trok de lange zachtblauwe zijden gordijnen open. Zou ze dit appartement en het antiek nu moeten verkopen? Een brede lichtstraal viel op de vitrinekast met het kostbare Meissen servies; haar grootmoeders trots. Niemand wilde nog serviesgoed hebben dat niet in een afwasmachine kon. De antieke spiegel hing scheef, iets waaraan Alex zich altijd aan had geërgerd. Alsof ze hem nog een plezier kon doen, pakte ze een punt van de rijk bewerkte vergulde lijst en gaf deze een zetje. Meedogenloos weerkaatste het verweerde glas enkele nieuwe lijnen in haar gezicht. Korzelig pakte ze de vuile glazen en de halflege fles. Automatisch rook ze aan de hals en keerde hem boven de gootsteen om. Terwijl het restant rode wijn langzaam over de kleine zwart-witte tegeltjes in de afvoer verdween, staarde ze naar de omgekeerde foto van slot Rosenburg op het etiket. Automatisch zette ze een Meissen kopje onder het espressoapparaat. Ze keek hoe het kopje gevuld werd en zette de machine af. Met kleine slokjes dronk ze het brouwsel, al proefde ze het nauwelijks. Ze balde haar vuisten en staarde naar de belastingpapieren op Alex’ bureau. Geen moment had ze er bij stilgestaan dat ze successierechten zou moeten betalen en zeker niet dit krankzinnig hoge bedrag. Als succesvolle advocaat had Alex altijd keurig zijn vermogen aan de belasting opgegeven. Alex had moeten vechten om het domein te kunnen terugvorderen en de restauratie had zijn fortuin grotendeels opgeslokt. Oneerlijk, oneerlijk, ging als een mantra door haar hoofd. Robert, Alex’ jonge opvolger, hield zich als advocaat ook aan de wet. Oplichters trokken zich nooit iets van de regels aan en kwamen daarmee ook nog weg. In een flits zag ze de ijdele Todor voor zich. Alex was pas twee maanden dood. Ze had naast hem gezeten toen hij een acute hartstilstand kreeg. Hij had haar nog iets willen zeggen, maar zijn gemompel was onverstaanbaar. Zelf had ze hartmassage toegepast, de ambulance was er binnen vijf minuten en ook in het ziekenhuis konden de artsen niets meer voor hem doen. Zijn veel te vroege overlijden had ze nauwelijks verwerkt en nu kreeg ze ook nog eens deze aanslag. Om Rosenburg te af te staan kon ze niet over haar hart verkrijgen. De verkoop van haar Weense appartement met hoogst ouderwets sanitair, zou zeker niet gauw lukken. Ze had nooit geld willen uitgeven om dit op te knappen, maar een spaarpotje gemaakt in de hoop ooit weer op Rosenburg te kunnen wonen. Dit was nog niet de helft van het bedrag dat ze als erfbelasting zou moeten betalen. De klok sloeg zeven uur. Als ze even opschoot zou ze twee uur later bij Rosenburg kunnen aankomen. Na het sluiten van het hoge raam, trok ze de gordijnen half dicht, gaf haar planten een plens water en pakte de mooie weekendtas, het laatste cadeau van Alex. Ze streelde het zachte leer en zocht enkele praktische kleren. Ze wikkelde de ingelijste foto van Alex in haar nachthemd. Zuchtend stopte ze die voorzichtig tussen haar kleren. Na het inpakken van enkele toiletspullen was ze klaar om te vertrekken. Naar Rosenburg nam ze nooit een handtas mee; haar lichte bodywarmer met vier zakken was handiger. De sleutelbos van Rosenburg zat daar altijd in. Nu nog haar rijbewijs, geld, creditcard, Alex nieuwste smart Phone en de autosleutels. Ze sloot af en liep de hardstenen trap af. Het geluid van haar hakken weerkaatste eenzaam en hol in de royale entree. Beneden zat de conciërge op haar stoel te slapen. Voorzichtig schudde Elisabeth haar wakker.
Het mensje schrok. ‘O, mevrouw Dolak, gaat u weg?’
‘Ja, ik ga enkele dagen naar Moravië. Kun je voor de post en de planten zorgen?’
‘Ja mevrouw Dolak, natuurlijk mevrouw Dolak.’
Elisabeth knikte, gaf haar het briefje met Alex’ mobiele nummer en liep naar de auto. Ze kon prima met Alex’ Range Rover overweg. De weg, een dikke honderd kilometer, kon ze wel dromen. Even buiten Wenen zag ze dat er weer een stuk autoweg was klaargekomen. Haar gedachten waren zo bij Rosenburg dat ze na waarschuwend getoeter prompt op de rem trapte. De veiligheidsriem sneed in haar borst. Geschrokken keek ze speurend om zich heen en zag gelukkig nergens politie. Ruim negentig kilometer in de bebouwde kom en ook nog door het rode licht, dat kon een forse bekeuring opleveren. In haar achteruitkijkspiegel zag ze een van de wegwerkers met zijn vinger op zijn voorhoofd tikken. Met aandacht voor de weg in plaats van onoplosbare rampscenario’s te bedenken, kwam ze bij de Oostenrijkse dorpjes tegen de grens met Tsjechië. De oude kleine wijnkelders, bedekt met gras, werden nog steeds gebruikt. Ze passeerde de openstaande grens en reed even later door Mikulov, waar de mensen druk bezig waren om de oude huisjes op te knappen. De daken met de platte terracottakleurige leitjes gaven het stadje hun oude uitstraling weer terug. Buiten Mikulov reed ze via een landweg naar Rosenburg. Het grote smeedijzeren hek stond open, een teken dat haar tuinman Rudy weg was. Ze reed door tot het bordes met de verweerde leeuwenkoppen en zette de motor af. De voorkant van het kasteeltje had nu de oude gele kleur weer terug. Met gevulde plantenbakken zou het slot er minder doods uit zien. Ze stapte uit en wisselde van schoeisel. De buitenlucht, een mengsel van bos en velden werkte verkwikkend. Ze rekte zich even uit en keek naar de wijn velden. Haar enige hoop om aan geld te komen was de wijn, maar dan moest ze en vakman inhuren. Ze liep automatisch naar de wijngaard. Rudy deed op zijn manier zoveel mogelijk. Nog een bof dat ze op hem kon rekenen. Zijn grootvader werkte vroeger hier als tuinman. Ook zijn vader was iemand van het oude stempel geweest die trouw zwoer aan de landheer. De dikke druiventrossen beloofden een overvloedige oogst. Op haar hurken zittend trok ze een druif van een volle tros. Kritisch proevend keek ze om zich heen tot een felle schittering haar verblindde. Nieuwsgierig stond ze op om daar op af te gaan.

 

VLUCHTELINGEN

Ze pakte het glimmende hangslot en liet het meteen los. Gloeiend heet. Gefrustreerd gaf ze een trap tegen de roestige gele container. De menselijke gil die uit dit gevaarte kwam gaf haar kippenvel. De schreeuw werd meteen gesmoord. Alleen een vrouw kon zo gillen. Met ingehouden adem boog ze zich naar voren en meende een vaag geschuifel te horen. Met een zakdoek om haar hand morrelde ze aan het glimmende hangslot. Er was geen beweging te krijgen. Ze woelde met haar voet in het lange gras en ontdekte geen sleutel. Welke gek sluit mensen in deze hitte op? Een vieze lucht kwam door de kier van de deur. Ze snoof en trok haar neus op. Ze rook nog een keer en wist: uitwerpselen maar geen kadavers. ‘Is daar iemand?’ vroeg ze geheel overbodig, waarop een kort gejammer volgde. Aan de andere kant van het roestige gevaarte zag ze verse diepe bandensporen naar de weg; lang kon deze container hier nog niet staan. Nieuwsgierig liep ze verder. Het achter-hek was ruw weggetrokken. Ze spande haar kaken en belde het noodnummer. Na het opgeven van haar adres werd ze direct verbonden met het plaatselijke politiebureau. Tot haar verbazing kwam Todor, de burgemeester, zelf aan de lijn. Met opstaande nekharen begon ze het gesprek. ‘Todor? Elisabeth Dolak hier.’
‘Elisabeth… welkom terug op Rosenburg. Nog mijn condoleances. Wat kan ik voor je doen?’
Ze rilde van zijn vleiende stem en ging door: ‘Todor, iemand heeft een container met vluchtelingen op mijn terrein gedumpt. Het ding is gloeiend… afgesloten en de sleutel is nergens te vinden. Doe iets, dit is een zaak voor de autoriteiten anders gaan deze mensen dood.’
Ze hoorde hem zijn adem inhouden. Na een korte stilte sprak hij kort: ‘Ik heb nu een belangrijke vergadering, ik stuur Pavel wel.’
Todor had de verbinding al verbroken. Hard klapte ze haar mobieltje dicht. Vijf minuten later zag ze nog geen Pavel. Vlug liep ze naar de schuur en zocht een hamer. Opgelucht vond ze er een. Nogal zwaar. Ze rende terug en hield de hamer zo hoog mogelijk. Na haar eerste slag werd het gillen hysterisch. ‘Ik probeer de deur open te maken,’ riep ze in verschillende talen voor ze weer ging slaan. Vanuit haar ooghoek zag ze Rudy verschrikt komen aanhollen.
Buiten adem riep hij: ‘Frau Baronin, wat moet die container daar? Mensen?’
‘Dat denk ik. Je hoort ze jammeren. Die container is een oven. Ik belde het noodnummer al. De burgemeester stuurt Pavel.’
‘Frau Baronin, geeft u mij die hamer maar.’
Rudy stroopte de mouwen van zijn overall op, spande zijn kaken en sloeg het hangslot met één klap kapot. ‘Jasses, wat een stank,’ riep hij en deinsde terug, ‘Gedver, ze moeten al dagen in hun eigen stront hebben gezeten.’ Met een arm voor zijn neus maakte hij de sluiting open en deed een flinke pas achteruit toen de deur krakend openviel.
De mensen maakten nu geen geluid meer. Nieuwsgierig keek Elisabeth naar binnen. Bange ogen staarden haar aan.
‘Kom naar buiten, de frisse lucht zal jullie goed doen,’ riep ze met een zakdoek voor haar neus.
‘Weer vluchtelingen, houdt dat nooit op,’ bromde Rudy.
‘Waar komen ze in hemelsnaam vandaan?’ prevelde ze zachtjes toen ze hun Oosterse trekken zag. Ze ging over op Engels, waarop Rudy ook een duit in het zakje deed en met zijn handen gebaarde dat de mensen naar buiten konden komen.
‘Fresh air,’ sprak hij en streek met zijn hand door zijn donkere krullenbol. ‘Frau Baronin… eergisteren was ie er niet… wie had het lef… op uw terrein… en dan nog afsluiten…’
Ze zag Rudy naar het bandenspoor kijken. Hij volgde dit een eindje tot hij zich hoofdschuddend omdraaide. ‘Verdomme, ze forceerden de achteringang.’
‘Hoe?’
‘Een zware trekker. Alleen het bouwbedrijf van…’
Een van de vluchtelingen kwam naar buiten en zakte prompt door zijn knieën.
Elisabeth wilde de man helpen, maar Rudy was haar voor.
In het Duits zei ze: ‘Rudy, wil je water gaan halen? Ze zijn zeker uitgedroogd.’
‘Durft u hier alleen met ze te blijven?’
‘Ze lijken mij eerder bang dan agressief, ga maar gauw.’
Een voor een strompelden de mensen naar buiten. Ze haalden diep adem maar ze keken haar niet aan. Elisabeth keek Rudy na als of hij hierdoor sneller terug kon komen. Ze draaide zich weer naar de container. Een jongeman in T-shirt en spijkerbroek kwam als laatste naar buiten. Hij schermde zijn ogen af voor het felle licht. Op haar vraag of hij Engels sprak, wende hij zijn hoofd af en keek naar de grond. Elisabeth telde drie vrouwen. Ze hadden elk een lange dunne doek om hun hoofd gewikkeld, maar droegen verder onopvallende kleren. De andere mannen waren sober gekleed in een slobberbroek en een hemd van onbestemde kleur. ‘Waar komen jullie vandaan? Irak? Afghanistan?’ Ze kon hun angst ruiken.
‘Water?’ vroeg ze.
Rudy kwam al aanrennen. Ze zag hoe gretig de vluchtelingen het rek met plastic flessen bekeken.
‘Drink,’ riep Rudy en hield een fles op. De mensen aarzelden tot de jongeman in spijkerbroek de fles pakte en gulzig begon te drinken. Nu reikten de andere mensen ook naar de flessen. ‘Zijn ze dit of, zitten er nog meer in die container Frau Baronin?’
Elisabeth keek nog eens in de container en zag een hoopje spullen, te klein voor een mens. ‘Nee, dit zijn ze. Rudy, ik kan ze moeilijk tot morgen hier in die vieze container laten. In de bijkeuken mogen ze zich wel opfrissen.’
Ze zag aan Rudy’s blik dat hij haar aanbod maar niets vond. Vastberaden stak ze haar kin omhoog.
Rudy aarzelde even. ‘Goed frau Baronin.’ Hij schopte een steentje weg. ‘Die ene vent kan nauwelijks op zijn benen staan. Zal ik met de bestelauto komen?’
‘Goed idee.’
Terwijl Rudy wegrende, hoorde ze de sirene van de politieauto aanzwellen. Ze zag de mensen in elkaar krimpen. Tot haar verbazing reed de auto door de geforceerde achteringang haar terrein op.
Pavel, in uniform, stapte uit. Hij pakte een vies kammetje en kamde zijn vette zwarte haar achterover. Daarna ging de pet op. De knoopjes op zijn dikke buik stonden op springen. Hij kuchte en begon gewichtig: ‘Zo mevrouw Dolak, wat hebben we hier. De burgemeester vertelde dat u een container op uw terrein hebt gezet. Zo, zo, probeert u met illegale arbeidskrachten uw dure restauratie te bekostigen?’
‘Ga de boel nu niet verdraaien Pavel. Deze mensen stonden op het punt om te stikken.’
‘Bewijst u dat maar eens,’ sprak hij en stak zijn onderlip naar voren. Hij zette zijn handen in zijn zij en bekeek het groepje mensen laatdunkend.
‘Man, pas op wat je zegt. Denk liever na wat jij met deze mensen gaat doen.’ Ze draaide aan haar zegelring en keek Pavel strak aan. ‘Neem ze mee en geef ze te eten en maak proces verbaal op, dat is je plicht.’
‘Ze staan op uw terrein en niet op de openbare weg. Het slot is al open, dus…’ Met een onnozel lachje maakte hij een hulpeloos gebaar.
‘Als jij niet van plan bent om actie te ondernemen, zoek ik het hogerop.’
Pavel haalde zijn schouders op maar durfde niet naar de politieauto te lopen toen de bestelauto aankwam. Rudy stapte uit en ging naast haar staan. Boos pakte ze haar mobieltje en toetste het nummer in van Alex’ oude kantoor waar Robert nu de scepter zwaaide. Gelukkig nam hij meteen op.
‘Met Elisabeth. Ik ben net op Rosenburg aangekomen. Robert ik zit hier met een ander probleem.’ Kort vertelde ze over de container en bleef Pavel strak aankijken. De man stond op zijn voeten te wippen en probeerde haar blik te ontwijken.
‘Ik zal proberen zo snel mogelijk te komen. Is de autoweg al klaar?’
‘Nee, je moet op twee uur rekenen.’ Ze klapte haar mobieltje dicht. ‘Zo Pavel, als jij geen actie kunt ondernemen, dan doe ik het. Zeg dat maar aan de burgemeester. Hij kan erop rekenen dat ik het er niet bij laat zitten.’
Pavel gaf haar geen hand, draaide zich om, stapte in de auto en trapte hard op het gaspedaal. Met Rudy keek ze de wegrijdende auto na. Rudy stak zijn arm met een gebalde vuist omhoog. ‘Aan hem hebben we niets Frau Baronin… slaafje van de burgemeester… net zo’n hufter.’
Ze wees op haar mobieltje. ‘Je hoorde het zeker. De partner van mijn man zal straks komen.’
Nu Pavel weg was, zag ze de mensen opgelucht kijken. In het Engels vertelde ze wat ze van plan was. De vluchtelingen schenen haar te begrijpen. Even later klommen ze aarzelend via een opstapje in de laadbak. Elisabeth ging voorin naast Rudy zitten en mompelde zacht in het Duits: ‘Staat het warme water nog aan?’
‘Nee, Frau Baronin. Wilt u ze echt laten douchen?’
‘Zeker. Stel dat jij…’
Rudy knikte. Hij parkeerde de bestelauto bij de ingang van de keuken en gebaarde de mensen om uit te stappen. Elisabeth ontsloot keukendeur. Rudy liep naar binnen en deed met duidelijke tegenzin de luiken open.
‘Kom verder mensen; jullie kunnen hier douchen. Er is hier ook een wc. Handdoeken pak ik zo. Wil iemand nog water?’ Elisabeth zag de vluchtelingen schichtig, maar ook nieuwsgierig rondkijken in de grote keuken met het ouderwetse aanrecht en de lange houten tafel met aan weerskanten banken. Ze vroeg zich af welk comfort deze mensen thuis gewend waren. Kookten ze nog op een houtvuurtje of hadden ze de modernste apparatuur?
Rudy opende de deur van de personeelsdoucheruimte en maakte een gebaar met zijn hand. ‘You can wash here.’
Elisabeth hield enkele handdoeken en een stuk zeep uitnodigend op, maar geen van de vluchtelingen maakte aanstalten om iets aan te pakken. Met een gefronst voorhoofd keek ze Rudy aan en zei zacht: ‘Ik vermoed dat de mannen zich generen als er vrouwen bij zijn.’ Ze legde de spullen op de keukentafel en liep naar buiten. Automatisch liepen de vrouwen achter haar aan. Ze knikte hen vriendelijk toe. ‘Beste mensen, die container is hier zonder mijn weten gedumpt. Puur toeval dat ik vandaag op mijn domein aankwam en jullie kon bevrijden.’
Een van hen leek iets te willen zeggen, maar bedacht zich. Elisabeth haalde haar schouders. ‘Straks komt mijn advocaat. Tot die tijd mogen jullie hier blijven. Beter dan terug in de container, dunkt me.’ Hoorde ze zacht yes of leek dat zo. De vrouwen bleven zwijgend staan tot Rudy riep: ‘Frau Baronin, de mannen zijn klaar.’
Nors kijkend stapten de kerels met natte haren naar buiten. Een dank je of knikje kon er niet af. Geïrriteerd mompelde ze: ‘Nou zeg, kan het iets vriendelijker.’ Zuchtend liep ze de keuken in. De vrouwen volgden haar. Terwijl de oudste vrouw in de douche verdween, stonden de twee anderen beschroomd te draaien en aan hun kleding te wriemelen. ‘Schoon water hebben jullie vast dagen gemist.’ Ze had duidelijk gesproken. Waarom kreeg ze geen reactie? Voor wie waren deze mensen bang? Al hadden ze een andere cultuur, ze leken haar niet dom. Om te kunnen vluchten hadden ze vast veel moeten betalen. Waarom waren ze achtergelaten en wel juist hier uitgerekend op haar terrein? Wist iemand dat deze mensen hier niet gauw gevonden zouden worden? Bijna alle wijnboeren hadden een tractor, maar om het zware hek te kunnen wegslepen was groter materieel nodig. Het aannemersbedrijf van Todor zou dit gedaan kunnen hebben. Ze wist dat ze zonder bewijzen niemand kon beschuldigen. Zelf had ze ook dorst gekregen en wilde thee zetten. Met de waterketel in haar hand hoorde ze de mannen buiten onderling krakelen. ‘Rudy!’ riep ze luid en zag door het raam dat hij de kerels al tot kalmte maande. Ze stoof naar buiten. ‘Wie van mijn gastvrijheid gebruik wil maken, gedraagt zich. Ga anders maar terug naar de container.’
‘Sorry miss.’
Ze keek de jongeman die gesproken had strak aan. ‘Ik ben mevrouw Dolak, eigenaresse van dit kasteel. Die container is ongevraagd op mijn terrein gezet.’
Geen van de mensen reageerde. ‘Ik heb jullie gered heb van verstikking en uitdroging. Jongeman hoe heet je?’
Hij haalde zijn handen uit de zakken van zijn spijkerbroek keek haar aan. ‘Ali miss.’
‘Hebben de anderen ook een naam? Waar komen jullie vandaan?’
‘Afghanistan miss, eh mevrouw.’
‘Gevlucht?’
Ali knikte.
‘Vreemden duld ik niet in mijn huis, dus wil ik weten hoe iedereen heet.’
Hierop kwamen de tongen los. Ze hoorde een aantal exotische namen, Ahmed, Omar, Rashid, maar kon de rest niet onthouden.
‘Wat was jullie bestemming?’
Ali zei met een licht Amerikaans accent: ‘Ik heb veel geld gegeven om naar Amerika te kunnen gaan.’
‘Amerika? Jullie zijn nu in Moravië, Zuid Tsjechië. Hoe lang zijn jullie al onderweg?’
‘Vijf dagen mevrouw.’
‘In die container?’
‘Nee mevrouw, eerst in een vrachtwagen… we reden ‘s nachts.’
Elisabeth schudde meewarig haar hoofd. ‘Rudy deze mensen hebben vast honger, kan jij brood halen? Doe er maar iets van kaas bij.’
De vrouwen kwamen naar buiten. ‘Dames, hebben jullie ook een naam?’
‘Layla,’ sprak de oudste.
‘Ik ben Asha.’
‘En ik heet Amira,’ zei de jongste vrouw.
De man die zich had voorgesteld als Cyrus kwam naar voren. Hij zag er minder beschaafd uit dan Ali en begon bits: ‘Al mijn geld heb ik aan de smokkelaars gegeven. Hoe kom ik nu in Amerika?’
‘Beste mensen, ik heb hier niets mee te maken. Wie weet kan de burgemeester helpen. Hij komt morgen. Hebben jullie je paspoort, visum?’
‘Dat ligt in Hamburg klaar. Zouden we krijgen bij het inschepen.’
‘Hemel, dus jullie hebben geen papieren?’
Rudy liep met een brood onder zijn arm de keuken in. Ze zag de mensen begerig kijken. ‘Kom, binnen kunnen jullie eten.’ Ze liep de keuken in en gebaarde dat iedereen kon gaan zitten. Ze pakte een plank en een mes. Rudy nam het mes van haar over en sneed dikke plakken van het zware boeren brood. Haar vraag drinken jullie thee ging verloren, want voordat Rudy de plank op tafel had kunnen zetten, gristen de mannen het brood weg en schrokten het op. ‘Hé zeg, dat gaat zo maar niet. De vrouwen hebben ook recht op eten. Rudy snij nog maar een paar stukken. Ik geef die wel aan de meisjes. In hun land komen de vrouwen duidelijk op de tweede plaats, maar in mijn huis moeten ze zich aan mijn regels houden.’
Vanuit een ooghoek zag ze Ali instemmend knikken voordat hij een stukje kaas nam.
De andere vluchtelingen weigerden de kaas te nemen toen Elisabeth hen dit op de broodplank voorhield. De woorden ik wil jullie heus niet vergiftigen, slikte ze net op tijd in. Ze ging zitten en wees Rudy dat ook te doen. Ze pakte een stuk kaas. ‘Hm, lekker Rudy, ik dacht dat moslims alleen geen varkensvlees aten, maar kaas… misschien kennen ze dit niet. In China…’
‘Hoe moet dat vanavond frau Baronin?’ vroeg Rudy zacht in het Duits.
‘Frau Baronin?’ vroeg Layla.
‘Ach ja, Rudy’s vader werkte al op mijn domein en hij houdt vast aan de oude traditie.’
Het brood was op, de thee getrokken en Elisabeth pakte mokken. Met haar rug tegen het aanrecht leunend keek ze de mensen aan. ‘Zijn er dingen die jullie niet mogen of willen eten?’
‘U zei het al, geen varkensvlees mevrouw.’
‘Goed Ali, ik zal proberen om een warme maaltijd klaar te maken.’
Ze keek peinzend voor zich uit en dacht aan haar magere budget, nu die belastingaanslag boven haar hoofd hing.
Rudy stond op. ‘Blikken macaroni met kaas, frau Baronin, die hoeft u alleen maar op te warmen. Het dorpswinkeltje heeft dat. Best lekker vinden mijn kinderen.’
‘Prima idee Rudy, dat is tevens licht verteerbaar. Zeg, zijn die oude matrassen er nog?’
‘Ik heb de maanden dat u in Wenen was, niets in het huis kunnen doen. De wijngaard…’
‘Ja, ik weet het, je komt daar handen te kort. We kunnen ze voor de nacht wel onderbrengen in de twee slaapkamers die bijna klaar zijn.’
‘Als de mannen een handje meehelpen, slepen we die matrassen wel naar boven. De vrouwen kunnen de kleinste kamer krijgen, dacht u zeker.’
De mensen bleven als zoutzakken zitten. Niemand sprak een woord. Tergend langzaam kroop de tijd voorbij. Elisabeth liep doelloos heen en weer. Een conversatie zat er niet in. Als Robert pas na kantoortijd zou vertrekken, zou ze nog enkele uren geduld moeten hebben. Nu de mensen toch een beetje zaten te dutten, liep ze naar Alex’ studeerkamer en pakte het grote zwarte kasboek. Vluchtig bekeek ze de uitgaven voor de restauratie, maar ze kon haar hoofd er niet bijhouden. Haar gedachten vlogen van de successierechten naar de vluchtelingen. Ze wilde deze mensen helpen, al ergerde zich wild aan de houding van de kerels. Ali gedroeg zich anders. Had hij misschien een Westerse moeder? Gelukkig was ze niet in een land geboren waarin vrouwen als tweederangs burgers werden gezien. Ach, één nachtje maar… van haar ouders had ze geleerd om mensen in nood te helpen. Had ze het fout aangepakt? Zou Pavel anders gereageerd hebben als ze het slot van die container niet had geopend? Ze hoorde gerommel in de keuken en stond op. Ze borg het kasboek weer op en liep de keuken in waar de vuile mokken nog gewoon op het aanrecht stonden. Rudy zette de blikken op de keukentafel. ‘Zal ik ze maar opentrekken?’
‘Graag Rudy.’ Ze opende de grote kast en speurde naar de grootste pan. Rudy controleerde of het gas was aangesloten en pakte de pan al. Hij zette deze op het gas en Elisabeth mikte de inhoud van de blikken hierin. Ze bleef roeren om de boel niet te laten aanbakken. Toen er voldoende walm afkwam, draaide ze het gas uit, zette een stapel borden op tafel en maakte een gebaar dat deze uitgedeeld konden worden. Layla stak haar handen uit de mouwen en begon op te scheppen. De mannen lieten zich bedienen. Zonder af te wachten totdat ook Rudy en zij een bord hadden opgeschept, begonnen de mannen al te eten. Layla was de enige die haar voor het eten bedankte. En dat wil naar Amerika, spookte door haar hoofd.
‘Ik zal wel afwassen frau Baronin,’ begon Rudy.
Ali keek verbaasd.
‘Jongeman, in het Westen en in Amerika is het normaal dat mannen in het huishouden meewerken. Wisten jullie dat niet? Hoe hoger hun opleiding, hoe meer de mannen in huis meehelpen.’ Vanuit haar ooghoek zag ze dat de mannen dachten dat ze een sprookje vertelde. Ze keek regelmatig haar horloge en hoopte dat Robert gauw zou komen. Al voelde ze zich nog erg flink, nu miste ze de steun van Alex meer dan ooit.  

Nieuwsgierig liep ze naar buiten toen ze het geronk van een motorfiets hoorde. Een man in motor-pak met helm stapte af. Toen hij zijn helm afdeed, zag ze dat het Robert was. ‘Ik wist niet dat je een motor had.’
‘Veel sneller in het spitsuur.’
‘Wat vindt Berthe daarvan. Is dat niet gevaarlijk? Je bent toch veel kwetsbaarder?’
Zijn schampere blik ontging haar niet. Zonder te antwoorden ritste hij de lichte overall open, stapte eruit, rolde deze netjes op en stak hem in zijn helm. Hij zag er afgemat uit. Gisteren was haar dat niet opgevallen, maar toen had ze hoofdzakelijk aan zichzelf gedacht.
‘Elisabeth, dat ik jou zo snel weer zou zien. Waar zitten ze?’
Robert trok zijn jasje recht en streek met zijn hand zijn donkere haar naar achteren.
Elisabeth gebaarde met haar hoofd. ‘Kom verder. Ze zitten in de keuken.’
Robert pakte een map uit zijn motorkoffer. Op de stoep hield hij haar tegen en sprak zacht: ‘Ik weet niet of je er verstandig aan doet om die mensen in je huis te laten. Wat weet je van ze af?’
‘Ik kon ze toch niet laten stikken?’
‘Dat begrijp ik, maar de wet…’
‘Die stomme wet, kan me wat. Lees jij wel eens kranten over asielzoekers?’
‘Hé, wind je niet op. Vertel nog eens precies wat er gebeurd is, ook wat de burgemeester zei.’
Ze knikte, deed haar armen over elkaar en begon. Haar ogen spoten vuur toen het bezoek van Pavel aan de beurt was. ‘Ik was verbaasd dat hij door de achteringang reed en vlakbij de container stopte, alsof hij wist dat het hek kapot was en dat die container hier stond… Vanaf de weg naar Mikulov is dat onzichtbaar. Dat hek is jaren niet gebruikt en het zat vastgeroest, dus… het zou toch niet waar zijn dat Todor hier iets mee te maken heeft?’
Ze vertelde verder over de douche partij en het eten. ‘Zo, meer kan ik je echt niet vertellen. Wil je dat ik ze weer terugstuur naar de container?’
‘Nou, dat is het andere uiterste.’
‘Als jij een betere oplossing hebt…’
Ze zag hem de mensen vriendelijk toeknikken. ‘Ik ben advocaat. Mevrouw Dolak vertelde dat niemand van u geldige papieren heeft. Dat kan een probleem opleveren. Iedereen moet deze daarom zo snel mogelijk aanvragen zodat de procedure van de asielaanvraag van start kan gaan. Wilt u gegevens, zoals volledige naam, geboortedatum en plaats, plus nationaliteit opschrijven?’
Aarzelend pakten de mensen de hun aangereikte pennen en papieren.
Cyrus stond op. ‘Ik wil beslist naar Amerika, dan hoef ik hier zeker geen asielaanvraag doen.’
‘U bent nu hier zonder geldige papieren en dan heeft u zich aan de wet van het land te houden.’
Cyrus stak zijn vuist op. ‘Belachelijk.’
Elisabeth keek hem strak aan. ‘Rustig Cyrus, in dit land houdt men zich aan de wet, je hebt het net gehoord. Ga anders maar terug naar de container.’
Robert las de gegevens vluchtig door en gaf haar het stapeltje. ‘Jij kunt deze morgen aan de burgemeester geven, dan kan hij hiermee aan de slag.’
‘Dank je Robert dat je zo snel bent gekomen.’
‘Ik kan vannacht wel hier blijven. Wil je dat?’ sprak hij zachtjes in het Duits.
Elisabeth pakte hem dankbaar bij zijn arm. ‘Ik ben niet gauw bang, maar als je het zo aanbiedt, graag.’ Ze keek even naar Cyrus.
‘Waar kan ik bivakkeren? Mag ik even kijken?’
Ze wees hem de trap en liet Robert voorgaan. Boven draaide hij zich om. ‘Je hebt je wel iets op de hals gehaald.’
‘Tja.’ Ze toonde de kamers waar de matrassen al op de vloer lagen en zag hem goedkeurend knikken. Ze opende de deur van een andere kamer. ‘Hier mag jij slapen. Deze matras is nieuw. Gelukkig had Rudy de ouden nog niet weggegooid.’
‘Schitterend. Mooi, die badkamer.’
Ze keek verheugd en toonde de kamers die nog niet waren opgeknapt.
‘Zag alles er zo uit?’ riep hij verontwaardigd.
‘Het was nog veel erger Robert. De parketvloer was half opgestookt.’
‘Ai.’
Boos voegde ze er aan toe: ‘Helemaal uitgewoond door die rot communisten. Ook de wijngaard was een ramp. Alex’ vader was hier vroeger rentmeester. Heeft Alex jou dit niet verteld?’
‘Nee, behalve dat hij jou al kende voordat hij verliefd op je werd.’
‘Hier liggen mijn wortels Robert. Jammer dat Francesca…’
‘Mevrouw?’ hoorde ze plotseling. Ze herkende de zangerige stem van Layla en boog zich over de trapleuning. ‘Wat is er?’
‘Mag ik kijken waar we mogen slapen?’
‘Natuurlijk Layla. Kom maar boven. Kussens heb ik niet, maar ik kan jullie wel lakens geven. Gelukkig is het warm en in de nacht koelt het niet erg af.’
Elisabeth zag dat de vrouw haar hoofddoek had afgedaan. ‘Mooi haar heb je. Zonde om dat met een hoofddoek te bedekken.’
Layla schudde haar lange haar even extra.
‘Is dit naar wens? De badkamer is nog niet betegeld, maar alles werkt.’
‘Eindelijk geen harde vloer, wat heerlijk dat we hier…’
‘Kijk, de mannen kunnen daar slapen en zij moeten zich beneden in de bijkeuken wassen. Beter om de mannen te scheiden, begreep ik.’
‘Heel fijn mevrouw.’
Layla liep naar beneden en Elisabeth volgde. In de keuken hoorde ze Layla de andere vrouwen al inlichten. Elisabeth zag Robert rondkijken.
‘Alles zonder subsidie?’
Ze ging hem voor naar Alex’ studeerkamer, steunde met beide handen op het bureau en antwoordde: ‘Van wie? Dit is geen museum. Al deden we alles zo zuinig mogelijk, het heeft bakken geslurpt. En nu die stomme belasting. In het kadaster moet toch ergens te vinden zijn dat Rosenburg van mij is?’
Robert schudde zijn hoofd. ‘Dat is vernietigd.’
‘O God.’
‘Heus, ik heb hier ook al aan gedacht na ons gesprek van gisteravond.’
‘Hoeveel uitstel kan ik krijgen? Rosenburg verkopen kan ik niet over mijn hart verkrijgen. Met Alex had ik al bedacht dat we inkomsten zouden kunnen creëren als de wijn weer net zo goed is, of zelfs beter dan vroeger. De druiven staan er prima bij. Toen ik hier als kind woonde ging dat allemaal anders. Nu moet de wijn sneller op dronk gebracht worden maar dat krijgt Rudy niet voor elkaar. Zonder oenoloog ben ik nergens. De grond is uitstekend en dat hebben die stomme communisten gelukkig niet verpest. Als kind hielp ik ook mee met de oogst. Ik ken de druivensoorten en ik weet iets van cépage, maar daar houdt het mee op.’ Ze volgde zijn blik naar de half afgekrabde luiken. ‘Jezus, wat een klus, ik ben er stil van. En nu zit je ook nog met deze mensen.’
Elisabeth streek haar half lange haar naar achteren. ‘Ik reken erop dat ze morgen vertrekken.
‘Goed hoor dat jij ze onderdak geeft, maar wees voorzichtig, juridisch ben je voor hen verantwoordelijk.’
‘So what. Wil je die stinkende container zien?’
Robert knikte. Samen liepen ze door de keuken naar buiten. De mensen staarden somber voor zich uit. ‘Het is achter het huis, normaal komt hier haast niemand.’ Elisabeth wees en bleef op een afstand staan.
Robert liep er op af. ‘Jasses.’
‘Ja Robert, ze zaten in hun eigen… kom we gaan terug. Ik wil die mensen niet te lang alleen laten.’
Hij gaf haar een arm en keek nog een keer om. ‘Wat een oud kreng. Misdadig om mensen hierin op te sluiten. Dat is poging tot moord.’
‘Begrijp je dat ik het ze niet kan aandoen om hierin te overnachten? Ik vraag Rudy om de boel af te sluiten.’
‘Als ik iets kan doen?’
‘Graag, dirigeer jij straks de mannen naar boven, dan trommel ik de vrouwen op. Ik denk dat iedereen Engels verstaat, al doen sommigen hun mond nauwelijks open. Het lijkt of ze ergens bang voor zijn.’
‘Logisch, het systeem in Afghanistan is net zoals het communisme op angst gebaseerd.’
‘Robert, ik heb de papieren nog eens goed doorgelezen. Overal staat Alex’ naam op, maar Rosenburg is van mij. Al heeft hij daar zijn geld ingestopt om het op te knappen, dan hoef ik daarover toch geen successierechten te betalen?’
Robert fronste zijn voorhoofd. ‘Elisabeth, het zijn officiële papieren… daarop staat alleen Alex’ naam.’
‘Verdorie, dat is fout. Hij heeft alle moeite gedaan om Rosenburg terug te vorderen, maar het is van mijn familie. Punt uit.’ Ze snoof.
‘Dat kan wel zijn, maar nergens staat von Wohlleben.’
‘Denk maar niet dat ik van plan ben een cent van die stomme belasting te betalen.’ Ze draaide zich van hem af.
Robert kuchte. ‘Voor belastingontduiking kun je de gevangenis indraaien.’
‘Begrijp je niet dat ik blut ben als ik dat bedrag moet betalen? Het komt er op neer dat ik de flat in Wenen of Rosenburg moet verkopen. Over mijn lijk. Eerst pikken ze dit domein van je af en dan… dan.’ Ze hapte naar adem.
‘Rustig nou.’
‘Nee, Robert, niet rustig nou. Ergens moeten toch bewijzen zijn.’
‘Sorry Elisabeth, maar ik heb nergens iets gevonden en zonder bewijzen…’
‘Die rotbewijzen, altijd maar bewijzen. God ik kan die lui iets aandoen. Todor Schmidt werd als kind met zijn ouders rond 1948 op Rosenburg ingekwartierd. Ik kan die ijdele vent niet luchten of zien.’ Ze keek hem veelbetekenend aan. ‘Zou jij…?’
Robert maakte een handgebaar. ‘Ik kan het proberen, maar zelfs een getekende verklaring van de burgemeester is in dit geval niet geldig.’
Ze sloot de deur van haar kamer af en zette de foto van Alex op haar nachtkastje. Verdrietig haalde ze de sprei van het bed. Vorige keer had ze hier nog met Alex geslapen. De lakens waren nog niet verschoond. Ze pakte zijn kussen en snoof zijn lucht op. De laatste keer hadden ze plannen gemaakt om hun zilveren bruiloft op het slot te vieren. Woelend in haar bed dacht ze aan haar jeugd. Het beeld van haar grootouders kwam op haar netvlies. Dit vertrek was hun slaapkamer geweest. Opa liep na een jachtongeval met een stok met een zilveren knop. Hij hinkte. Oma borduurde of dronk thee samen met haar vriendinnen na een bridgepartij in de mooie zitkamer. Beiden waren net overleden en op het terrein begraven voordat het communisme oprukte. Zeven was ze toen oma stierf. Zes weken later kon ze weer haar zwarte jurkje aan; voor grootvaders begrafenis. De stemming tijdens de plechtigheid was extra somber. Steeds meer privileges werden ingehouden, allemaal door het oprukkende communisme. Ontzet had ze bij de teruggave gezien dat alle graven gerooid waren. Ze zuchtte en dacht aan de verplichte inwoning. Gelukkig hadden de communisten geen bezwaar gemaakt tegen de inwoning van de rentmeester met vrouw en hun zoon Alex. Met Alex zwom ze vaak in de vijver. Ze glimlachte en zag Alex weer voor zich hoe hij in onderbroek in het water sprong en haar toe had geroepen kom, we gaan duiken. Toen hij bovenkwam zat zijn haar onder het kroos. Wat had hij sip gekeken toen ze hem had uitgelachen. De inwoning van de familie Schmidt wilde ze het liefst vergeten. Dat uitgerekend Todor Schmidt, hier burgemeester was geworden. Een en al hulpvaardigheid, al twijfelde ze aan zijn oprechtheid. Iemands karakter verandert niet. Ze draaide zich om en hoorde het vertrouwde geluid van het bosuiltje, net zoals vroeger.

  

DE VLUCHTELINGEN BLIJVEN

‘Todor, aan jouw politieman Pavel had ik niets. Mijn is hier geweest. Hij liet de mensen hun gegevens opschrijven. Nu is het aan jou om actie te ondernemen.’
‘Elisabeth, ik heb gisteren iets verkeerds gegeten…ben doodziek. Spijt me ontzettend. Ik kan niemand anders sturen, want dit moet op het hoogste niveau worden opgelost.’
‘Kletspraat, wanneer je weigert mee te werken bel ik met het parket in Brno.’ Boos verbrak ze de verbinding. Meteen belde Todor terug. ‘Niet zo aangebrand. Oké, oké ik kom vanmiddag.’
‘En, wanneer komt de burgervaar?’ vroeg Robert.
‘Vanmiddag… wilde eerst niet komen…, zei dat hij ziek was.’
‘Elisabeth, op kantoor zal ik proberen iets over de asielprocedure in Moravië op te zoeken. Bel me als er moeilijkheden zijn. Red je het alleen?’
‘Zal wel moeten.’
Robert had de sleutel al in zijn hand. Ze zag Ali verlekkerd naar de motor van Robert kijken.
‘Is die BMW van u mijnheer?’ vroeg Ali.
Robert knikte.
‘Prachtig, hoe snel rijdt u daarmee?’
Robert grinnikte als een kwajongen.
‘Zeker lekker hard.’
Die Ali… hij was beslist anders dan de rest van de vluchtelingen, maar wat had het voor zin om hun levens uit te pluizen. Als Todor straks zou komen ging hij ze vast ergens huisvesten. Ze hoorde de mensen naar beneden komen voor het ontbijt. Rudy had net vers brood gehaald. Hij legde het brood op de tafel en zocht het mes al. ‘Problemen frau Baronin?’
‘Ach, het komt vast wel weer goed. En jij Rudy, goed geslapen?’
Hij knikte afwezig.
Elisabeth pakte een plank en reikte het mes aan Ali. ‘Snijden is mannenwerk. Hier, doe jij dat maar.’ Ze zag bezorgdheid in Roberts ogen toen Ali het mes pakte. ‘Ze gaan mij heus niet afmaken,’ fluisterde ze in het Duits. ‘Moet jij niet ontbijten?’
‘Doe ik wel in Wenen. Sterkte Elisabeth.’ Ze liep met hem mee naar buiten. Ali kwam met het mes in zijn hand naast haar staan. Robert klom op de BMW, startte en keek Ali geamuseerd aan toen hij extra gas gaf. Even later draaide hij het hek uit. Elisabeth liep met Ali naar binnen. Geschoren zagen de mannen er een stuk minder angstaanjagend uit. Ali sneed het brood en de mannen bedienden zich weer het eerst, waarop Elisabeth afkeurend met haar tong klakte. Tijdens het eten dacht ze aan vroeger en hoe ze vaak samen met Alex naar het wijnproces in de kelders keek, waarbij Alex vaak meehielp. Ze richtte zich tot Rudy, maakte een scherend gebaar haar haar wang, waarop hij bevestigend knikte. ‘Red je het in de wijngaard?’
‘Janos helpt. Maar nu zit hij zonder werk… ook geen uitkering. Zijn vrouw wil niet dat hij de hele dag voor de tv hangt. Er moet nodig gesnoeid worden… eh… zou u dat die mannen kunnen vragen? Ze doen de hele dag toch niets. Dat snoeien is niet moeilijk.’
‘Eigenlijk geen gek idee; bezig zijn is de beste afleiding. Janos…, ik zou hem graag willen betalen… maar…’
‘Mogen we dan blijven?’ begon Ali, toen Rudy met een aantal snoeischaren de keuken in kwam.
‘Ik denk er niet over,’ viel Cyrus hem fel in de reden.
Elisabeth keek ijzig. ‘Ik heb jullie hier niet uitgenodigd en bovendien vroeg ik dit gewoon.’
Ali pakte een schaar en maakte enkele knip bewegingen. Cyrus draaide zich om en deed of hij er niet bij hoorde.
‘Als het je hier niet bevalt, ga dan maar terug naar de container. Hier ben ik de baas. In het Westen wordt naar vrouwen geluisterd. Als jij je niet kunt aanpassen, wil ik je niet in mijn huis hebben.’ Ze wees hem de deur, waardoor hij mokkend vertrok.
Zwijgend pakten de mannen ieder een schaar en liepen achter Rudie aan.
Teleurgesteld sloot ze de keukendeur. Even leunde ze daar tegen en balde haar vuisten, daarna ontspande ze zich. Ze probeerde zich te beheersen, al kon ze gaan gillen van Cyrus’ gedrag. De drie vrouwen staarden gelaten voor zich uit. Elisabeth keek op haar horloge. ‘Ik heb geen tijd om de hele morgen bij jullie te blijven zitten. Daar staat de koffiemachine, neem maar. Als er iets is… ik ben in het kantoortje hiernaast.’ Ze knikte de vrouwen vriendelijk toe en liep naar het bureau. Ze pakte het kasboek op en nu lukte het haar iets beter om zich te concentreren. Bij het zien van de cijfers, wist ze dat ze het zonder advies van een oenoloog echt niet zou redden. Peinzend sloeg ze het boek dicht en liep naar de vrouwen. Het leek of de vrouwen zich niet hadden bewogen. Eén dag kon ze het wel volhouden om niets te laten merken. Ze steunde met haar handen op de tafel en keek hen aan. ‘Ik heb echt niets met deze smokkelaars te maken.’
Layla knikte, maar de andere vrouwen keken strak voor zich uit.
‘Kunnen jullie iets over jullie zelf vertellen? Vaak lucht dat op.’
Layla richtte zich met haar mooie amandelvormige ogen ernstig tot haar. ‘Ik wilde nog iets aan mijn leven hebben. Weet u hoe de toestand in ons land is?’
‘Ik zag recent een reportage over jullie land, waaruit ik opmaakte dat het regime niet bepaald vrouwvriendelijk is.’
Layla schraapte haar keel en begon te spreken, waarbij ze naar de tafel keek en automatisch de broodkruimels bij elkaar veegde. ‘Ik werd wreed behandeld. Mannen worden daarvoor niet bestraft. Ik was het meer dan beu. Met mijn artsenopleiding hoop ik in Amerika aan de slag te kunnen, desnoods als verpleegster.’
‘Layla, artsen zijn daar toch hard nodig?’
‘Mijn domme man wilde niet dat ik bleef werken. Al had hij een hoge post in de regering, hij vond een gestudeerde vrouw een bedreiging.’
‘Wat kortzichtig.’ Ze keek Layla aan en zag dat de vrouw met haar gedachten ergens anders was. ‘Was het voor jullie moeilijk om weg te komen?’
Amira snoof. ‘Gevaarlijk en vreselijk duur. In Afghanistan stel je als vrouw niets voor. In Amerika is dat anders.’
‘Zeker, maar zonder middelen van bestaan, kom je niet ver. Daar hebben vrouwen en mannen wel gelijke rechten. Wat is jouw beroep?’
‘Ik heb niets geleerd. Ik zou dolgraag juwelen ontwerpen, maar…’
‘Heeft een van jullie kinderen?’ onderbrak Elisabeth toen Amira niet verder leek te kunnen spreken en hulpeloos voor zich uit bleef staren. De vrouwen knikten ontkennend, waarop Asha zuchtte. ‘Gelukkig niet. Wat nu mevrouw? Waarom zijn we hier?’
Elisabeth ging zitten, plantte haar ellebogen op tafel en steunde haar gezicht in beide handen. Ze keek met een mengeling van medelijden en ergernis. ‘Daar kan de burgemeester misschien achter komen. Woonden jullie in Kabul?’
De vrouwen zwegen. De vraag hoe deze mensen zich financieel wilden redden in Amerika brandde op haar lippen.
‘Zegt u het maar,’ begon Layla.
De perceptie van deze vrouw verwonderde haar. ‘Zonder werkvergunning, de bekende groene kaart, kom je Amerika niet in. In het illegale circuit heb je geen rechten.’
‘Dat heeft niemand ons verteld,’ sprak de kleine Amira met fonkelende ogen.
‘Kennen jullie mensen die het wel is gelukt om naar Amerika te komen?’
‘Nee mevrouw, contact hebben met mensen in het buitenland is veel te gevaarlijk.’
Ze perste haar lippen op elkaar en stond op. Automatisch zette ze het koffiezetapparaat aan. Onbegrijpelijk hoe deze mensen te grazen waren genomen. Ze wilde hen niet ontmoedigen. ‘Werden jullie benaderd of moest je zelf op zoek naar de smokkelaars?’
‘Begin jij maar Layla, jij bent de oudste,’ sprak Asha.
Layla sloeg haar ogen neer. ‘Over deze organisaties bestaan veel geruchten. Ze hebben geen naam. Je moet geluk hebben om tegen iemand aan te lopen die je kunt vertrouwen. Elke contactpersoon opereert onder een code naam. Mijn hulp kende iemand.’
‘Konden jullie kiezen naar welk land jullie wilden?’
‘Amerika staat blijkbaar bij veel mensen bovenaan. Ik kreeg een waanzinnig hoog bedrag te horen. Elke dinsdag zou iemand in het zwart gekleed met een capuchon op bij een bepaalde fontein staan. Communicatie ging met briefjes die je direct moest verscheuren. Dit leken loterij biljetjes… om niet op te vallen.’
‘Hoe ging dat verder?’
‘We moesten eerst het bedrag bij elkaar zien te krijgen.’
Ze zag dat Asha de doek van haar hoofd trok. De jonge vrouw schudde haar lange haar uit en rolde de doek peinzend op.
‘Hoe zat het met eten en slapen tijdens de reis?’ vroeg Elisabeth nieuwsgierig.
‘Bijna iedereen had gedroogde dadels meegenomen. We sliepen op de harde bodem van de vrachtauto. We mochten niet met elkaar spreken, maar toen al het water op was, heb ik als arts geprotesteerd. Ik kreeg een klap, maar dreigde dat ik anders vanuit Amerika hierover op internet zou schrijven. Hierna kwam er een man met een kruik water en een brood.’
‘Hebben jullie geld naar een bank in Amerika overgemaakt of iets mee kunnen nemen?’
Amira lachte verlegen. ‘Ik heb een paar sieraden in mijn kleding genaaid.’
Layla en Asha maakten een hulpeloos gebaar.
‘Ik zie dat jullie nog geen koffie hebben genomen. Kunnen jullie met dit apparaat overweg?’
Layla knikte. Uitnodigend hield ze een mok omhoog. ‘Wie wil?’ Ze had net koffie uitgedeeld toen Janos de keuken binnen stormde.
‘Die ene kerel…’
Elisabeth fronste haar wenkbrauwen. ‘Bedoel je Cyrus? Wat doet hij nu weer.’
‘Frau Baronin, hij ging door het lint toen hij mijn geweer zag.’
‘Geef mij dat geweer maar. Ik kom wel mee. Als hij niet wil luisteren, moet hij maar terug in de container.’
Ze kon Janos nauwelijks bijbenen. Bij de schuur met gereedschap zag ze tot haar schrik dat Cyrus haar broodmes dreigend vasthield. Luid begon ze: ‘Geef onmiddellijk mijn mes terug, anders sluiten we je op in de container.’
De man reageerde niet. Met het geweer onder haar arm geklemd, pakte ze haar mobieltje. Cyrus keek haar strak aan. Ze maakte vlug een foto en toonde deze. ‘Kijk, ik heb een goed bewijs hoe bedreigend jij bent.’
Mokkend gaf hij het mes terug.
‘En nu bied jij je excuses aan ventje,’ sprak Janos streng.
Ze aanvaardde zijn magere excuses waarna ze zich langzaam omdraaide en peinzend naar haar slot terug liep. Meer dan ooit miste ze Alex. Ze had zo gehoopt dat na het vallen van de muur alle narigheid in Moravië voorbij zou zijn.

Destijds had haar vader gehoopt dat het communisme een vlaag van verstandsverbijstering zou zijn. Veertig jaar werd Rosenburg door de Schmidts en consorten uitgewoond. De wijngaard werd matig bewerkt en ze hadden geen cent betaald. Elisabeth schrok uit haar overpeinzing door het geluid van een claxon. Ze keek op en zag de dure Mercedes van Todor aankomen. Met moeite wurmde hij zijn dikke lichaam uit de auto. Hij trok zijn jasje recht en zette zijn borst op. Ze moest bijna lachen. Met zijn dure beige zomerpak en speciale schoenen om langer te lijken, leek hij een operette figuur. Ze zag dat hij zijn steeds dunner wordende haar geverfd had. Hij knipperde met zijn varkensoogjes en stak zijn dikke hand naar haar uit. De grote diamant in de ring aan zijn pink verblindde haar bijna. Ze kreeg een kleffe handdruk. Vervolgens pakte hij een zakdoek en veegde het zweet van zijn gezicht. Hij hief beide handen dramatisch omhoog. ‘Die typische augustus hitte. Zeg Elisabeth, Pavel heeft mij het een en ander verteld. Laat mij die container maar eens zien?’
Ze leidde hem naar het de gele container.
‘Och, och… en waar zijn de mensen?’ sprak hij en hield daarbij zijn hoofd scheef als een vogeltje.
‘In de keuken.’
Samen liepen ze naar het slot. Ze deed de deur open en stelde Todor aan de vrouwen voor.
‘Zo dames,’ begon hij in het Duits.
‘Dat verstaan ze niet. Je moet Engels spreken.’
Todor slikte en bleef Duits praten. ‘Waar zijn de anderen?’
Ze ontweek hem behendig toen hij haar arm wilde pakken. ‘Die kijken hoe Rudy de wijn snoeit.’
‘Je zet ze toch niet aan het werk hè? Dat is onwettig,’ sprak hij belerend.
‘Todor, wat is wel wettig? Had ik ze weer in de container moeten opsluiten? Pavel was niet van plan om iets voor deze mensen te willen doen. Vind jij het leuk om in je eigen viezigheid te moeten zitten?’ Ze keek hem doordringend aan.
Todor sloeg zijn blik even neer. Hij rechtte zijn rug en sprak autoritair: ‘Ik zal proces verbaal opmaken.’
‘Heb je dat nog steeds niet gedaan? Waar wil jij ze onderbrengen? Betaalt de gemeente een hotel?’
‘Wij hebben hier niets mee te maken. Je verwacht toch niet dat ik voor deze mensen ga opdraaien?’
Hij maakte aanstalten om te vertrekken, maar ze trok hem aan zijn jasje. ‘Wat dan? Moeten ze hier blijven?’
Hij trok een zuinig mondje.
Elisabeth stampte met haar voet op de grond. ‘Ik bel de procureur, Freiherr von Eisenbach in Brno. Blijkbaar heb jij te weinig bevoegdheid.’
Todor liep rood aan. ‘Ga je gang. Ik ben hiervoor speciaal mijn bed uit gekomen. Als je mij niet vertrouwt, zoek je het maar hogerop.’
‘Dat zal ik zeker doen.’ Met samengeperste lippen toetste ze het nummer van Wilhelm von Eisenbach in. Todor begon op zijn voeten te wiebelen. De procureur, een oude vriend van Alex, nam niet op. De bode vertelde dat hij pas morgen weer beschikbaar was. Hij beloofde om de boodschap over te brengen. Na het onbevredigende gesprek bespeurde ze bij Todor een lichte triomf. ‘Je dacht toch niet dat ik het hierbij laat. Alsjeblieft, hier heb je de namen alvast.’
Geïrriteerd pakte hij de papieren en zei gewichtig: ‘Ik ga hiermee aan de slag.’ Hij liep alweer naar zijn dure bak en zocht zijn zakken omslachtig door naar de afstandsbediening.
Ze zag de vrouwen nieuwsgierig door het raam gluren. De sufferd was te stom om Engels te leren. Ik zal je krijgen ventje. Eens zal je boeten. Incompetent, ijdel, bah. Hoe hij Alex altijd behandelde… moeilijk doen met de aanvraag voor de restauratievergunning, zo veel mogelijk centen trekken… Ze huiverde. Nog was ze niet van hem af. Vastberaden liep ze naar het bureau en rolde de houten draaistoel naar achteren. Ze ging zitten en draaide peinzend rond voordat ze de oude computer aanzette. Op internet toetste ze oenoloog in. Een lange lijst met namen en tarieven volgde. Onderop stonden enkele advertenties. Haar oog viel op een bescheiden advertentie van een jonge Fransman die zich aanbood. Ze las het bericht nog eens en schreef zijn mobiele nummer op. Ze wilde opstaan, maar bedacht zich. Beter meteen bellen.
‘Claude Latour,’ antwoordde een man met een prettige stem.
Elisabeth vertelde over Rosenburg. ‘Het is bijna oogsttijd. Mijn man is twee maanden geleden overleden. Nu sta ik er alleen voor. Ik weet wel het een en ander van de wijn, vooral van vroeger toen ik hier als kind woonde. Om de wijn te laten liggen rijpen is te duur geworden en voor de restauratie…’
Hij toonde begrip en liet weten: ‘Madame, over een week kan ik naar Moravië komen. Het lijkt mij een uitdaging om voor u te mogen werken.’
Ze was verbaasd dat zijn tarief zo schappelijk was. Nadat ze zijn naam en de datum in haar agenda had geschreven, leunde ze achterover. Peinzend keek ze naar buiten. Jammer dat haar kinderen nooit interesse hadden getoond in Rosenburg. Francesca vond Wenen maar een oubollige stad en in haar ogen was de restauratie een onverstandige geldverslindende hobby. Ze hoorde het haar nog zeggen. ‘Mam, denk je heus dat je hier je ouwe dag kunt slijten? Al dat onderhoud. Koop toch een modern appartement met beveiliging en ga reizen.’ Haar wortels lagen nu eenmaal hier op Rosenburg. Al woonde ze al weer vijftig jaar in Wenen, ze had het altijd een tijdelijke oplossing gevonden. Francesca, mooie eigenwijze meid. Ooit verliefd op Robert. Nu woonde ze bij die kunsthandelaar. Vreselijk vond ze de moderne schilderijen en beelden die deze Gary voor grof geld verkocht. Amerikanen waren er dol op; ook om door haar dochter, die zich daar Baronin liet noemen, geadviseerd te worden. Ze liep naar de wijngaard en zag de gebogen ruggen van de snoeiende mannen. Langzaam veranderden de rijen rommelige planten in strakke wijnstokken. Ze knikte naar de nors kijkende mannen en zei in het Duits: ‘Begrijpen ze het een beetje Rudy?’
‘Frau Baronin, ze hebben het tempo van een invalide slak, maar we komen er wel.’
‘Ik heb een oenoloog gevonden. Jonge vent. Kan eind volgende week komen.’
‘Mooi, net voor de pluk,’ sprak Rudy en werkte gestaag door.
‘Ik weet dat je het razend druk hebt en durf het je haast niet te vragen… voor het avondeten dacht ik boerenomelet. Zijn er nog voldoende eitjes?’
Hij knikte en terwijl hij met zijn hand over zijn voorhoofd wreef, rook ze de penetrante geur van zijn transpiratie.Verstrooid liep ze verder en kwam bij de vijver. Het was warm genoeg om te gaan zwemmen, maar met deze vluchtelingen zag ze zich niet zonder kleren te water gaan. De vijver werd ook vroeger al door de planten gezuiverd. Ze trok een rietstengel uit het water en liet de heldere druppels in haar hand lopen; nog even schoon. Bloemen, dacht ze. Straks een schaar pakken en een boeket plukken om op tafel zetten, dat fleurt de boel een beetje op. Ze liep de keuken in en wilde een schaar pakken. De vrouwen staarden nog steeds voor zich uit, alsof ze in een wachtkamer van een dokter zaten. ‘Ik zie het er van komen dat jullie nog een dag hier blijven. Kunnen jullie meehelpen in de keuken? Boerenomelet staat op het programma.’
‘Ik zal vanavond wel koken mevrouw,’ opperde Layla.
De anderen vrouwen opteerden voor het tafeldekken en de afwas.
‘Fijn. Heeft niemand buikpijn gekregen van het eten van gisteren?’
Layla knikte ontkennend.
‘Zijn jullie een beetje bijgekomen?’
‘Ja mevrouw. Het was heerlijk om niet meer op een harde vloer te moeten slapen en ons te kunnen wassen. Wat is het hier vredig.’
Elisabeth knikte en ging zitten. Behalve Layla, hadden Amira en Asha niet veel te melden. Net wilde ze de kleine Amira iets vragen toen de telefoon ging. ‘Ik spreek je zo weer.’ Ze stond op en liep naar het bureau van Alex.
‘Wilhelm hier. Je zit met een probleem hoorde ik. Wat kan ik voor je doen?’
Zo beknopt mogelijk vertelde ze over de vluchtelingen, het bezoek van Pavel, Robert en de burgemeester. ‘Het schiet op deze manier niet op. Ik zit met deze arme schepsels opgescheept en kon ze toch moeilijk weer in de container laten slapen…’
‘Tja, de asielprocedure moet op gang worden gebracht.’
‘Daar is de burgemeester volgens zijn zeggen al aan begonnen. Hoe snel gaat zoiets? Hebben jullie een opvangcentrum?’
‘Elisabeth, wie wil nu naar het arme Tsjechië komen. Nee, dat hebben wij helaas niet. Wanneer er bewijsmateriaal verzameld is, volgt een uitzettingsprocedure.’
‘Gaat dat lang duren?’
‘Eerlijk gezegd heb ik dat nog nooit op deze manier bij de hand gehad. Wel met misdadigers, maar die zaten al in de gevangenis.’
‘Je wilt mij toch niet vertellen dat er geen snelle oplossing is?’ Ze pakte een potlood en begon op een leeg blocnote vel bloemen te tekenen.
‘Elisabeth, de raderen der wet…’
Ongeduldig interrumpeerde ze: ‘Ja, hun tempo ken ik. Alex had het er af en toe ook moeilijk mee. Kun je bij benadering zeggen hoe lang?’
‘Toch gauw twee maanden.’
‘Verdorie…’ Ze smeet het potlood op het bureau.
‘Het spijt me. Kan ik verder iets voor jou doen?’
‘Laat maar Wilhelm, ik…’ Zwaar teleurgesteld legde ze de hoorn op de haak. Ze liep de keuken in en voelde dat de mensen begrepen dat ze iets gehoord had waarvan ze niet vrolijk was geworden. Zwijgend aten ze het ontbijt, waarbij Elisabeth het niet kon opbrengen een sprankelende conversatie op gang te brengen. Tegen het eind van het ontbijt leek het haar beter open kaart met de mensen te spelen. Ze begon over haar onbevredigende gesprek met Wilhelm. De angst voor het onbekende was op hun gezichten te lezen. ‘Heus, ik probeer echt om jullie zoveel mogelijk te helpen. Het parket in Brno zal de uitzettingsprocedure in werking gaan stellen.’
‘Dat neem ik niet. Ik laat me niet terugsturen,’ begon Cyrus.
‘Tut, tut, een uitzetting is altijd naar het land waarin jullie het laatste waren. Hoe reed de vrachtauto? Door Oostenrijk of kwamen jullie via Rusland hier?’
‘Hoe kunnen wij dat weten, we zaten in het donker,’ sprak Rashid, de kleinste man.
‘Of jullie moeten naar een gevangenis of jullie mogen hier blijven. Maar jullie moeten mij dan wel meehelpen, ik ben geen achttien meer.’
‘Gevangenis? Ik ben geen misdadiger. Dat pik ik niet,’ sprak Cyrus.
‘Cyrus, kalm een beetje, ik denk hardop. Dacht je dat het voor mij leuk was. Ik heb net mijn man verloren en had gehoopt hier even te kunnen bijkomen. Stel dat jullie inderdaad twee maanden moeten blijven, dan wil ik meer over jullie weten.’
De schonkige Cyrus bleef boos kijken. Ali wreef zich over zijn kin en Asha begon aan haar haar te draaien. Net toen ze dacht Robert hierover te gaan informeren, belde hij op haar mobieltje. Automatisch sprak ze Duits. ‘Robert, het laatste nieuws is niet zo fraai.’ Nadat ze hem op de hoogte had gebracht, hoorde ze hem in zijn agenda bladeren.
‘Ik kan het weekend wel komen. Reken niet voor vrijdagavond. Kan ik iets voor je meenemen uit Wenen?’
‘De post graag. Ik zal de conciërge bellen. Andere kleren kan ik jou niet vragen, ach de mensen hier verkleden zich ook niet. Hoe zit het met de afwikkeling van de erfenis. Heb je nog uitstel voor die krankzinnig hoge erfbelasting kunnen krijgen?’
‘Ja, ik heb al uitstel gevraagd. Een half jaar, meer niet.’
‘Maar je zou toch een bezwaarschrift indienen?’
‘Dat doe ik heus wel.’
‘Als het maar gauw gebeurt, want ik vertik het echt om die lui mijn centjes te geven.’ Elisabeth sloot haar ogen en vuurde een schietgebedje af dat het verbeteren van de wijn haar zou kunnen redden. ‘Groeten aan Berthe,’ wist ze nog net uit te brengen.
Hij gromde iets onverstaanbaars en hing op.
Wie weet kon Robert een creatievere oplossing kon bedenken voor het vluchtelingenprobleem; Wilhelm was zo vreselijk conservatief. Ze doodde de tijd met het onkruid wieden in het rozenperk. Bezig zijn met je handen was een prima manier om je gedachten te ordenen, alleen merkte ze dat deze in een kringetje bleven ronddraaiden. Tegen zeven uur hoorde ze een portier dichtklappen. Vast Robert, dacht ze en liep meteen naar buiten. Opgelucht dat hij er was, keek ze hem onderzoekend aan. ‘Je ziet er al een tijd slecht uit, is alles wel goed met jou?’ Ze zag dat hij een geeuw probeerde te onderdrukken.
‘Prima hoor.’ Hij sloeg zijn weekendtas over zijn schouder en gaf haar een kus. ‘Hier is je post.’
‘Fijn, dank je. Kwam je er met de auto gemakkelijk door?’
‘Ja, ik had een zakelijke afspraak net bij de ring.’
Ze ging hem voor naar Alex’ studeerkamer en legde het stapeltje op zijn bureau. Ze draaide zich om. ‘Robert, die kringen onder je ogen… ik maak me zorgen. Werk je te hard of is er iets anders? Ik dacht dat je vol lof was over je nieuwe stagiaire.’
‘Ja, David, geweldige vent. Toevallig half Afghaan.’
‘Zo?’
‘Vader is Oostenrijker en hij studeerde rechten in Wenen. Zijn moeder is arts in Kabul.’
‘Je ontwijkt mijn vraag. Jij kunt mij niet foppen.’ Ze boog zich naar voren en pakte zijn arm. ‘Kom, als ik kan helpen… je weet hoe zeer ik om jou geef.’
‘Ach, in ieder huwelijk zijn er wel eens strubbelingen,’ begon hij en haalde een denkbeeldig pluisje van zijn jasje.
‘Ik geloof dat het iets meer is dan strubbelingen, kom mee naar buiten; als je loopt praat het gemakkelijker.’ Terwijl ze hem meetrok hoorde ze hem fluisteren: ‘Berthe heeft een ander.’
‘Wat?’ zei ze en lachte spottend. ‘Sorry, voor deze reactie, maar ik zie haar niet als overspelige vrouw.’
Hij zweeg. Elisabeth gaf hem een kleine por. ‘Toe vooruit je moet dit toch aan iemand kwijt.’
Aarzelend ging hij verder: ‘Had ze zich maar kunnen aanpassen. Ze heeft het nooit prettig gevonden om gastvrouw te zijn als ik cliënten uitnodigde.’
Robert schopte een steen weg. ‘Ze is in de ban van Franz Bauer, de restaurateur.’
‘Die alternatieveling?’
Hij knikte.
‘En de kinderen?’ vroeg ze belangstellend.
‘Ze zijn bij hem ingetrokken.’
Hij stopte en steunde met zijn hand tegen de dikke plataan.
‘Wat spijt me dat. Ik zag al aan jou dat er iets mis was.’
‘Ach, we pasten eigenlijk nooit goed bij elkaar.’ Hij pakte een tak van de grond en begon die in stukjes te breken.
‘Nu je het zegt. Francesca…’
‘Hou op alsjeblieft over je dochter.’
Ze schrok van zijn barse toon en haalde licht haar schouders op. Zwijgend liepen ze verder, tot ze plotseling stil stond. ‘Wat ben ik voor een gastvrouw. Moet je niet iets eten?’
‘Geen trek.’
‘Kom nou, je moet goed eten. Ook al heb je problemen. Kom, ik kijk even wat er nog is.’
Ze liepen naar het slot en Robert liet haar voorgaan. ‘Kom verder. In de kamer van Alex staat de drank. Een glaasje gaat er vast wel in. Pruimenlikeur, zelf gestookt. Hebben we beiden wel nodig.’ Elisabeth pakte de fles en zocht een paar glazen. Robert nam de fles van haar over en kreeg de kurk er met moeite uit. Hij rook eraan. ‘Typisch huis gestookt.’
‘Ja, wie sprak er ook al weer van  all things I like are immoral, illegal and fattening? Was dat Somerset Maugham of die Engelse homoseksuele schrijver?’
Beiden hieven het glas. ‘Op je geluk jongen… en, smaakt het?’
Ze wachtte zijn commentaar af. ‘Beter dan de wijn van Rosenburg zeker.’
Robert likte zijn lippen af en maakte een smakkend geluid.
‘Lekker hè? Jaren oud recept. Rudy kreeg dat van zijn grootvader. De oude distelleerketel doet het weer prima.
Na het derde glaasje zei ze: ‘Nu naar bed, anders is er niets meer over voor morgen.’
Beiden stonden op.
Elisabeth zakte prompt in elkaar. Ze voelde dat Robert haar opving. ‘Jezus, ik ben jaren niet dronken geweest.’
‘Je bent oververmoeid. Na Alex… nu die vluchtelingen, dat is gewoon teveel.’
‘Even liggen.’ fluisterde ze enkele keren terwijl ze voelde dat Robert haar op de chaise longue neerlegde. Ze hoorde dat hij een stoel er tegenaan aanschoof zodat ze er niet af zou vallen. Met een licht gevoel in haar hoofd probeerde ze rechtop te gaan zitten. ‘Layla, wat doe jij hier?’
‘Robert waarschuwde mij dat u was flauwgevallen. Ik heb even uw pols gevoeld.’
Elisabeth knipperde met haar ogen. ‘Het gaat wel weer, die pruimenlikeur…’
‘Rudy haalt de dokter,’ zei Robert en richtte zich tot Layla. ‘Kan jij bij haar blijven? Ik bel haar dochter even.’
Elisabeth hoorde Robert in haar agenda bladeren. Blijkbaar had hij Francesca meteen aan de lijn. Met een glimlach sloot ze even haar ogen. Ze hoorde de bestelauto al aankomen. Rudy droeg de dokterstas. Werner Müller had een behoorlijke kegel, maar was nuchter genoeg om een diagnose te kunnen stellen: hartruis door oververmoeidheid, net zo als Layla blijkbaar ook had gezegd.
‘Ik zal haar een injectie geven,’ sprak de arts. Terwijl hij de spuit in orde maakte, zag Elisabeth Layla berispend naar zijn trillende handen kijken.
‘Ik kan dat misschien beter doen,’ fluisterde Layla.
Ze zag de dokter verstijven.
‘Werner, deze mevrouw is zelf arts,’ zei Elisabeth zacht.
‘Goed, goed, ik laat het aan haar over. Ik zou best zo’n knappe assistente kunnen gebruiken.’
Ze sloot haar ogen en doezelde even weg. Ze schrok op toen ze Rudy met Werner over het knarsende grind naar de bestelauto hoorde lopen. Robert tilde haar op en droeg haar de trap op. Layla hielp haar met uitkleden. Meteen voelde ze zich slaperig worden.

fragment RAADSELS ROND HARALD, een verbeterde versie en nu een stuk langer.

star-clipper‘Gaan we nog of wil je dit jaar niet?’
Een duidelijk geïrriteerde Chris stak zijn hoofd om de hoek van zijn kantoor. ‘Marianne, gil niet zo. Natuurlijk gaan we. Ik moet Anneke inwerken. Die nieuwe opdracht…’
‘Oké, ik vroeg het alleen maar. Ik gilde trouwens niet, ik riep je, want je moet je koffer nog pakken.’ Ik keek demonstratief op mijn horloge. Over anderhalf uur zou de taxi voor de deur staan.
Chris keek mij aan met op elkaar geperste lippen. Hij droeg alweer een nieuw overhemd, hield zijn buik in en zag mij niet meer zitten, althans zo leek het. Ik liep over het krakende parket het kantoorgedeelte van ons pand uit, sloot de deur met een klap en ging de trap op. Mijn koffer lag al open op de zachtgele sprei van ons brede bed. Zijn koffer stond nog op het zoldertje. Vals neuriënd pakte ik mijn zomerkleren voor onze jaarlijkse mei vakantie. Dit keer zou de zeilcruise met de Starflyer ons rond de Griekse en Turkse eilanden voeren. Zon, een aangename temperatuur en een rustige zee, luidde de weersvoorspelling. Ik ritste mijn koffer dicht en stond even in dubio of ik Chris’ koffer ook zou pakken. Om gezeur te voorkomen liep ik vlug naar het zoldertje om zijn donkerblauwe koffer te halen. Vlug zocht ik zijn spullen bij elkaar en pakte ze zorgvuldig in. Ik liet de koffer open zodat hij kon zien of ik dit naar wens had gedaan. Een laatste controle bevestigde dat mijn paspoort, de vliegbiljetten naar Rome evenals de vouchers voor transfer naar Civitavecchia in mijn tas zaten. Ik ging de trap af, liep weer naar het kantoor en knikte naar Chris. ‘Je koffer…’
‘Oh, ja, moet nog…’
Ik hield mijn hand op. ‘Heb ik al voor jou gedaan. Kijk maar even of je nog iets…’ Hij rende al weg en kwam even later met de dichte koffers terug. ‘Dank.’
Op de valreep van ons vertrek legde Anneke vertrouwelijk haar hand op Chris’ arm. ‘Geniet u nu maar van uw reis, mijnheer van Swieten. Maakt u zich geen zorgen. Ik weet wat u van mij verwacht en bovendien kan ik u op het schip bereiken. Italië is niet het andere eind van de wereld en u bent maar een week weg.’
‘Je hebt gelijk Anneke.’
‘Rust u goed uit, dan kunnen we de volgende opdracht met nieuwe energie aan.’
Hij schonk haar een dankbare glimlach en gaf haar een kusje op haar wang. Ik kreeg een stevige handdruk van haar, waarbij haar lange oorbellen heen en weer schommelden.
De taxi stond al voor de deur. ‘Prima op tijd, kom Chris, we moeten…’ Met ieder een koffer, liepen we naar buiten.
Hij stapte meteen in terwijl ik stond te kijken of onze bagage wel werd ingeladen. Zodra ik zat zag ik dat hij met zijn mobieltje in de weer was. ‘We boffen met Anneke, wat pikt ze alles snel op en bovendien is ze…’ In de taxi naar Schiphol bleef hij haar ophemelen. Ik luisterde al gauw niet meer en keek nietsziend naar buiten.

De vliegreis naar Rome verliep prima. Geen kwijtgeraakte koffers, zodat we snel door de douane waren. Chris stond al ongeduldig bij de taxistandplaats. Met mijn koffer, beautycase en reistas maakte ik een teken dat ik hiermee de stoep niet op kon. Hij haalde zijn schouders op en wees op zijn horloge. Ik trok mijn arm bijna uit de kom om de koffer het trottoir op te krijgen. Hijgend kwam ik bij de taxistandplaats, waar Chris een knappe lange Italiaan al stond uit te leggen waar we heen moesten. Hij keek triomfantelijk naar de glimmende Mercedes en dat het hem in zijn rudimentaire Italiaans toch maar weer gelukt was. De chauffeur kwakte Chris’ koffer in de achterbak en pakte daarna mijn grote koffer die hij voorzichtig hier bovenop legde. Hij pakte mijn beautycase aan en hield galant het portier voor mij open. In vloeiend Italiaans bedankte ik hem, waarop ik een bewonderende blik kreeg. Chris stapte met geperste lippen in.
Ik moest even gniffelen voor ik achterover leunde en mijn ogen sloot. De weg naar Civitavecchia kon ik zo langzamerhand dromen. Ik hoorde Chris af en toe ritselen met een stukje kauwgum, iets waaraan ik een vreselijke hekel had. Ik rook de pepermuntlucht die zich mengde met de nieuwe autogeur van de taxi. Aan het schuifelen van Chris op de achterbank begreep ik dat we er waren. De taxi leverde ons keurig voor de Star Clipper af. De taxichauffeur zette onze koffers bij de loopplank. Ik rekende af. Chris bromde goedkeurend naar de matroos die de kofferlabellen bekeek. De man knikte toen hij het nummer van onze hut daarop had gezien en wees dat we aan boord konden gaan. Achter Chris liep ik de brede loopplank op. We stapten aan boord, waar een van de officieren ons verwelkomde met een ferme handdruk. Op het dek stonden de Filipijnse bedienden klaar met het traditionele welkomstdrankje. Slap spul. Ik knikte de Filippino vriendelijk toe en pakte uit beleefdheid een aangeboden glas.
Chris nam een slok, trok zijn lippen op en zette zijn glas met een klap op de bar. Hij hees zijn broek op en draaide zich half naar mij. ‘Ik ga het schip verkennen.’ Zonder te vragen of ik mee ging, baande hij zich een weg door de consumerende meute. Ach, ik kende hem, dus trok ik mij hiervan niets meer aan. Ik keek hem na en zag dat zijn licht gele vrijetijdsbroek niet meer strak zat. Vast voor Anneke, fluisterde een klein duiveltje in mijn oor. Ik bekeek de medepassagiers. Oersaai zo te zien. Al mijn pogingen om een praatje te maken strandden. Van de monosyllabische antwoorden werd ik niet vrolijker. Ik zou mijzelf moeten amuseren, want ik verwachtte dat Chris, zoals gewoonlijk, weer de hele dag ging zitten lezen.
Mijn gedachten dwaalden af naar vroeger. Wat was ik toen naïef. Ik leerde Chris kennen op een feestje. Een kersverse ingenieur met lichtjes in zijn ogen, een goed figuur en een vlotte babbel. Een viriele man die juist aan zijn eerste baan was begonnen. Mijn studie kunstgeschiedenis, dé studie voor een net braaf meisje, had ik nog niet afgerond. Het streelde mijn ego dat Chris direct veel werk van mij maakte. Hij had al een auto, terwijl ik op een oeroude Solex reed. Vroegere vriendjes waren fuifnummers. Dolle pret, maar ze hadden weinig geestelijke bagage. Zo niet Chris, hij wist veel, waardoor ik mij nooit in zijn gezelschap verveelde. Als studente woonde ik thuis, want kamerhuur kon er niet af. Toen Chris al snel vroeg of ik met hem wilde trouwen, zei ik spontaan ja. Was het een vlucht, omdat ik niet meer thuis wilde wonen? Automatisch pakte ik een van de – met een oosterse glimlach – geserveerde hapjes en mijmerde verder. De opmerking routine kills marriage, spookte door mijn hoofd. Sleur komt sowieso om de hoek kijken, maar ik was vast besloten om van mijn huwelijk een succes te maken. Seks met Chris was niet bijzonder spannend, maar verder had ik niet te klagen. Hij sloeg me niet, respecteerde mij, was nooit krenterig en voor de tweeling was hij een goede vader. Chris vond zichzelf een gemakkelijk mens. Alles was goed, mits het op zijn manier gebeurde. Door mijn ouderwetse opvoeding vond ik het normaal dat de man het voor het zeggen had. Bij het wisselen van zijn banen in en naar het buitenland volgde ik hem braaf. Nu waren de lichtjes in zijn ogen voor mij gedoofd. Fred, de vriendelijke kleine Filippino die ons van vroegere reizen herkende, liep naar mij toe en stak zijn hand uit. ‘Fijn u weer aan boord te zien mevrouw.’
‘Fred, alles goed?’
‘Ja mevrouw. Ik heb er een dochter bijgekregen.’
‘Gefeliciteerd, je had toch al twee zoons?’
‘Goed dat u dat nog weet mevrouw. Wilt u nog een glaasje?’
‘Nee, dank je Fred, ik neem iets sterkers.’ Hij gaf mij een begrijpende knipoog en liep verder met een grote glazen kan om de slappe vruchtencocktail aan de passagiers te slijten. Aan de bar bestelde ik uit balorigheid een sterke Negroni. Ik gaf het nummer van onze hut op, tekende het bonnetje en keek hoe de barkeeper de drie drankjes mixte. Aan het geluid in de haven hoorde ik dat we gingen vertrekken. Met mijn glas liep ik nieuwsgierig naar de reling. Daar zag ik enkele stevige mannen in overall al bezig om de trossen los te gooien, een teken dat iedereen aan boord was. Net had ik een slok genomen toen er plotseling een grote zwarte auto met hoge snelheid kwam aanrijden. Hij stopte met piepende banden voor de loopplank. Echt een maffia bak. Onwillekeurig schoot er een rilling door mij heen toen de herinnering aan de beroving door de maffia in Oost Europa boven kwam. Geboeid bleef ik kijken. De bemanning stelde zich plotseling erg onderdanig op. De chauffeur opende gedienstig het achterportier. Een slanke man, keurig gekleed in blazer en een lange witte linnen broek, stapte uit. Terwijl het personeel zich haastig om zijn dure bagage bekommerde, liep hij kwiek de loopplank op. Duidelijk een man van de wereld, gewend om bevelen te geven en iemand die ik eerder op een duur mega-jacht verwachtte dan op ons sportieve schip. Hij liep rakelings langs mij. Van de geur van zijn frisse aftershave moest ik bijna niesen. Zonder iemand aandacht te schenken volgde de intrigerende man een bediende. Blijkbaar had hij geen behoefte aan het welkomstdrankje, want hij verscheen even later niet op het dek. Peinzend dronk ik mijn negroni. Ik voelde de motoren trillen en zag dat het schip langzaam begon te varen. Op mijn horloge zag ik dat ik voor het diner tijd genoeg had om mijn koffer uit te pakken.
Chris kwam de hut binnen toen ik net klaar was. Ik bekeek mezelf in de spiegel met mijn nieuwe lichtblauw linnen jurk en voelde het etiket in mijn hals prikken. Een complimentje van Chris was er niet bij. Zonder een woord te zeggen trok hij zijn koffer op het bed. Ik liet hem en ging vast haar het dek. Daar zag ik dat lang niet iedereen de moeite had genomen om zich te verkleden. Ik beheerste mij om nog een negroni te nemen. Met een glas gratis water liep ik naar de reling waar de kuststrook steeds kleiner werd. Klokke half acht klonk de scheepsbel, een teken dat we aan tafel konden gaan. Veel mensen struinden de eetzaal in of ze uitgehongerd waren. Een kalende kerel stootte mij daarbij nogal ruw, waarbij het laatste restje water net op mijn boezem terecht kwam. Ik zag dat dit een vlek had gemaakt. ‘Mijnheer, kijk wat u gedaan hebt,’ zei ik tamelijk verontwaardigd. ‘O, dat droogt wel weer.’
‘Pummel,’ siste ik en ik kreeg er nog meer de pest in dat we deze reis hadden geboekt. Ik zette mijn lege glas op de bruin gelakte houten bar en bleef daar staan wachten op mijn echtgenoot. Chris was ook op het geluid van de scheepsbel afgekomen. Hij liep met zijn mobieltje aan zijn oor, keek speurend rond en toen hij mij ontdekt had, brak hij het gesprek gauw af. Ik hoorde hem nog net Anneke zeggen. ‘Zo, sprak je met Anneke? Had ze iets bijzonders te melden?’ Hij bromde een beetje voor zich uit. Blijkbaar liep alles goed, maar om nu al te bellen vond ik een beetje overdreven. Samen liepen we naar de eetzaal waar de purser ons het menu aanreikte.
Zoals we op dit schip gewend waren werd de tafelschikking voor de eerste avond door de gerant geregeld. ‘Hebt u er geen bezwaar tegen om iemand anders bij u aan tafel te krijgen?’ vroeg de man beleefd. Voordat Chris iets kon zeggen knikte ik. ‘Nee hoor, dat is prima, want ik vind het altijd leuk om andere mensen te leren kennen.’ Hij liep voor ons uit naar een van de kleinere tafels voor vier personen en schoof een stoel voor mij achteruit. Even later kwam de gerand terug met onze nieuwe tafelgenoot. Tot mijn verrassing was het de man die op de valreep aan boord was gestapt. Ik vergat bijna mijn mond dicht te doen toen hij zijn hand uitstak. ‘Fijn dat ik bij u aan tafel mag komen zitten, ik zal me even voorstellen. Harald …’ Hij sprak keurig Oxford-Engels. Zijn achternaam verstond ik niet omdat iemand met een denderende klap een metalen schaal liet vallen. Hij draaide zijn hoofd richting kabaal en keek mij met een twinkeling in zijn ogen aan. ‘Ik dacht het lawaai ontvlucht te zijn.’ Harald was uitstekend geconserveerd. In zijn blauwe ogen ontdekte ik een vonk van humor en ik zag nog een vleug lichtblond in zijn grijzende haar. Zijn strakke kin straalde wilskracht uit. Zijn wenkbrauwen die, zoals bij meer mannen die niet zo piep jong meer waren, begonnen op borstels te lijken. Onze tafelgenoot bleek een voortreffelijke causeur en al gauw merkte ik dat we op dezelfde golflengte zaten. Aan andere tafels werden serieuze gesprekken gevoerd, of at men de lekkere maaltijd in stilte alsof het een plicht was. Natuurlijk zag ik de jaloerse blikken van de andere gasten die niet uit hun schulp durfden te kruipen. Benepenheid was niets voor mij en ik genoot van zijn beschaafde Italiaanse uitbundigheid. Van populair gedrag moest ik niets hebben. Harald raakte precies de juiste toon. Hij maakte geen beledigende opmerkingen over de andere gasten, terwijl ik mij soms wel eens iets liet ontvallen over foute kleding, een slecht figuur of gebrek aan kennis. Zo niet Harald, een volmaakte gentleman.
‘Waar komt u vandaan?’ vroeg ik.
‘Mijn moeder was Italiaanse en mijn vader een Noor.’ Van haar zou hij zijn flamboyante gedrag wel geërfd hebben, dacht ik.
‘Maakte u al vaker een reis met dit schip?’
‘Nee, dit is mijn eerste zeilcruise.’ Hij nam een slok water en veegde zijn fraaie lippen af aan zijn servet. ‘Prachtig schip overigens.’
Ik knikte. ‘Wij hebben al een aantal keren met dit schip of het zusterschip, de Star Flyer gevaren. Fijn dat dit geen drijvend flatgebouw is. Van enorme schepen moet ik niets hebben.’ Harald reageerde niet op mijn opmerking en boog zich over de kaart toen hij de ober naar onze tafel zag komen. Mijn keuze uit het menu was snel gemaakt. Ik keek of de anderen al zo ver waren en legde het menu op mijn bord. ‘Chris ik ga voor vis.’
‘Ik ook,’ zei Harald, ‘dan bestel ik een witte wijn.’ Chris was niet dol op vis, zodat hij voor zijn vlees aan de rode wijn ging. Na het voorgerecht zag ik dat hij al aardig achter de fles had aangezeten.
‘Het kaasplateau ziet er niet spannend uit hoor,’ zei ik een beetje pinnig.
‘Ik hou de rest wel voor morgen,’ zei Chris zuinig. Toen het gesprek op werk kwam, vertelde onze tafelgenoot een beetje van dit en een beetje van dat te hebben gedaan. Hij bleef daar erg vaag over en wimpelde elke vraag over dit onderwerp met een gracieuze kwinkslag af. Ach, wat maakte het uit wat de man voor zijn broodje deed, Harald was een gezellige, hoffelijke tafelgenoot. Na de koffie stond Harald op. ‘Kom, ik zoek mijn hut op. Ik heb een drukke week achter de rug. Goede nacht en nog veel dank voor uw gezelschap.’ Met een joviale zwaai liep hij weg. Ik keek rond en zag dat bijna niemand bleef hangen. De jongelui die voor de animatie moesten zorgen stonden er een beetje verloren bij. Een van de jongere officieren zag mijn verbaasde blik. ‘Ach mevrouw, de eerste avond is meestal voor de jeugd, iets oudere mensen hebben een drukke reis achter de rug. Ik hoop u morgenavond te zien. Goedenacht mevrouw.’
Mensen zijn gewoontedieren, zodat bijna iedereen tijdens het ontbijt weer op dezelfde plek ging zitten. In de eetzaal zag ik Harald al. Hij stak zijn hand op als groet. Nadat ik mijn bestelde gebakken ei en een glas sap van het royale ontbijtbuffet had gepakt, liep ik naar ons tafeltje. ‘Goeden morgen mijnheer, hebt u goed geslapen?’ Harald stond even op voordat ik ging zitten. ‘Uitstekend, het deinen van de zee heeft mij heerlijk in slaap gewiegd. En u? Ook uitgerust? Noemt u mij alstublieft Harald.’
‘Graag, ik ben Marianne en mijn man heet Chris. Nederlanders zijn tamelijk snel met het elkaar bij de voornaam noemen, maar ik weet dat men in de zuidelijke landen meer op etiquette is gesteld.’ Harald had net een hap genomen. Met een handgebaar maakte hij duidelijk dat hij dit een beetje ouderwets vond. Chris liep even later automatisch naar dezelfde tafel. Hij bromde iets dat op goeden morgen moest lijken en ontdooide een beetje toen Harald een gesprek met hem begon. Harald wist het nodige over boeken en hij leek veel mensen te kennen. Neen, dom kon ik hem beslist niet noemen. Hij was niet opdringerig en hij pochte nooit met zijn kennis. Alles wat we te horen kregen kwam terloops ter sprake. Met zijn open expressieve gezicht en lichtgrijze haardos leek hij enigszins op de espressoboer, zoals ik George Clooney noemde, maar dan met iets langer haar. Overdag zat Chris met zijn neus in zijn Economist. Harald en ik lagen rond het zwembad en als we langs een eiland voeren, keken we samen vanaf de reling toe. Af en toe passeerden we een mega jacht, waarop ik dan commentaar gaf. Harald luisterde aandachtig naar mijn verhalen, iets dat Chris al jaren niet meer deed. Verder bleef hij de volmaakte heer. Hij drong zich niet op, was niet handtastelijk of zoenerig. Al gauw keek Chris niet meer van zijn lectuur op als wij samen ergens zaten te kletsen. Hij vond het prima om met rust gelaten te worden en ik genoot van Haralds intense aandacht.
‘Gaan jullie ook met de sloep mee om de eilanden te bekijken?’ vroeg Harald toen we naar Chris liepen.
‘Ja, we hebben voor alle excursies geboekt, vooral Delos wil ik niet missen,’ antwoordde Chris eens voor de variatie.
‘Gezellig. Ik hoop dat de restauratie al is opgeschoten. Helaas staan de echte leeuwen in een ander museum,’ wist Harald te vertellen.
Op de Griekse en Turkse eilanden, bleek Harald enorm veel te weten over archeologie en kunst. Dat hij het nodige van de wereld gezien had, merkte ik aan de aandacht die hij aan de architectuur of kunstvoorwerpen besteedde en zijn commentaar op eventuele gelijkenissen elders. Bij het in- en uitstappen van de reddingsboot die ons naar de eilanden bracht, reikte hij mij een helpende hand en bij opstapjes ondersteunde hij mijn elleboog. Chris dacht er nooit aan dat ik wel een zetje kon gebruiken. Hij liep gewoon voor ons uit, alsof ik niet bestond. Tijdens de excursies week Harald niet van mijn zijde.
Na een paar dagen wist ik nog steeds niet of hij getrouwd was, kinderen had, of met een vriendin samenwoonde. Hij manipuleerde het gesprek altijd zo dat de vraag als niet gesteld eindigde, maar dat realiseerde ik mij pas later.
Toen de week zeezeilen bijna om was, nodigde hij ons tot mijn verbazing uit om twee weken te komen logeren. We zaten aan de bar in ons goeie goed, klaar voor het afscheidsdiner toen hij met deze invitatie kwam. ‘Elk jaar pas ik begin september op een kasteel. Mijn relatie wil zijn bezit niet alleen laten. Jullie logeerpartij zou dan wel niet bij mij thuis zijn, maar op dit slot in Italië. Kijk hier heb ik enkele foto’s.’ Hij pakte een mapje met foto’s uit de binnenzak van zijn lichtblauwe zijden jasje en toonde beelden van een bijzonder fraai kasteel.
‘Nou, dit liegt er niet om… deze droom in Palladio-stijl is ronduit schitterend… wat is het prachtig ingericht… ik ben dol op weelderig Italiaans antiek… goh, hoort deze klassieke tuin met waterpartijen er ook bij? Jeetje, een modern zwembad…. sprookjesachtig mooi… Dat poolhouse is om u tegen te zeggen,’ zei ik terwijl ik de foto’s een voor een aan Harald teruggaf. In tegenstelling tot mijn enthousiasme had Chris slechts enkele keren fraai gezegd.
‘Marianne en Chris, ik vond het erg gezellig om jullie ontmoet te hebben en ik hoop dat we onze kennismaking kunnen continueren. Ik neem vaker vrienden mee als ik op het kasteel ga passen en dat vindt de eigenaar nooit een probleem. Bovendien is het personeel constant aanwezig en de kok kan prima koken.’ De scheepsbel klonk. Harald stopte het leren mapje weer terug en sloeg zijn armen over onze schouders om naar ons tafeltje te gaan. Ik liep op wolken en voelde vlinders in mijn buik. Het voorgerecht stond al op tafel, gravad lachs met een glas aquavit. Zodra we zaten hief Harald het glas, waarbij hij diep in mijn ogen keek. Mijn hart sloeg een slag over. Het deed deugd om door een charmante man bewonderd te worden. Italianen hadden daar meer kaas van gegeten dan Hollanders. Mijn stem haperde even toen ik weer sprak. ‘Ik kan nauwelijks geloven, dat een dergelijk goed onderhouden kasteel nog bestaat. De meeste kastelen zijn vervallen, want het kost een vermogen om het er zo afgelikt te laten uitzien. Je boft om daar te kunnen wonen.’
‘Ja, het is prachtig. Omdat geen van mijn vrienden deze tijd toevallig vrij heeft, zit ik daar anders toch maar in mijn eentje.’ Hij zuchtte semi-theatraal. Uit mijn hoofd wist ik dat we net die periode niets te doen hadden. Ik gaf Chris een por. ‘Dat komt goed uit. Anneke heeft dan net haar vakantie achter de rug, zodat we gemakkelijk weg kunnen.’ Ik legde mijn hand op Haralds arm. ‘Harald, we komen dolgraag.’
Chris zei niets, want ik had al toegehapt voordat hij bezwaar kon maken.
‘Ik zend jullie de routebeschrijving naar het slot. Het beste is om met de auto te komen, want het kasteel ligt nogal afgelegen. Als jullie een dag naar Florence willen dan is een auto daarvoor erg handig. Mijn afwezige gastheer neemt zijn grote limo met chauffeur altijd mee. Verder is er alleen een oncomfortabele oude Mehari voor het personeel.’
‘Hoe kom jij dan naar dit kasteel,’ vroeg ik nieuwsgierig.
‘Mijn vriend pikt mij op met zijn helikopter,’ zei hij alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was.
‘Wat spannend. Echt jetsetachtig.’
Harald staarde peinzend in de verte. ‘Ach, ik ben het gewend. Zijn enige wens is dat ik het pand niet verlaat.’
‘Hier moet op gedronken worden.’ Ik sloeg de aquavit achterover en hield mijn glas omhoog toen de ober voorbij kwam met de fles. Chris gaf me een trap onder tafel en keek me aan van, drink niet zoveel. Ja, jij met je Anneke, elke dag bellen en mij nauwelijks aandacht schenken, had ik willen zeggen, maar ik kon me nog net inhouden. Chris sprak weinig en ik vond dat onbeleefd om je zo tegen je toekomstige gastheer op te stellen. ‘Ik kan nauwelijks wachten om te komen, zo nieuwsgierig ben ik, maar natuurlijk willen wij jou graag weer zien,’ flapte ik eruit.
‘Fijn Marianne. Neem vooral geen cadeau mee, want ik pas op als vriendendienst. Jullie verblijf is voor mij een welkome afleiding en dat is op zichzelf al een geschenk.’
‘Nou, ik voel mij opgelaten als ik met lege handen aankom.’ Ik voelde mij blozen en sneed met veel aandacht de heerlijk malse biefstuk door.
‘Geen sprake van, de eigenaar vindt het niet meer dan normaal dat mijn vrienden ook welkom zijn.’ Ik gaf Harald mijn kaartje waarop ook ons e-mail adres stond. Hij las dit aandachtig, waarna hij het zorgvuldig in een mooie donkergroene krokodillenleren portefeuille stopte.
Traditiegetrouw ging het licht uit voor de grote schalen omelet Siberiënne, versierd met staafjes vuurwerk, waarbij de gasten op de maat van de gespeelde muziek voor het personeel klapten. Harald pakte mijn hand en drukte er een kus op. Het licht ging weer aan en de bedienden begonnen de taarten te snijden en uit te delen. Tijdens het serveren van de koffie, meldde de kapitein dat deze laatste avond op het dek gedanst kon worden. Ik zag een dansje in Haralds armen wel zitten, maar Harald en Chris liepen beiden naar de hutten, want morgen was het vroeg dag.
In onze hut keek ik Chris aan. ‘Wat spannend om naar een kasteel in Italië te gaan. Ik heb me met Harald geen seconde verveeld en ik neem aan dat jij daar net zo over denkt. We zullen ons daar vast en zeker prima amuseren. Bovendien kunnen we ook andere plaatsen gaan bezichtigen. Jammer dat Harald het pand deze tijd niet mag verlaten. Zeg Chris, ik zou het best een leuk klusje vinden om op een kasteel te passen.’
Chris bromde enkele onverstaanbare woorden.
‘Nou, kan je niet iets enthousiaster zijn?’
‘Je moet niet zoveel drinken Marianne.’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Jemig, die opmerking slaat nergens op. Bovendien moet jij dat nodig zeggen, want jij drinkt meestal meer dan ik.’ Boos draaide ik mij om. Chris taalde niet naar een nachtzoen. Werden we net zo saai als die andere echtparen aan boord? De gedachte aan onze komende logeerpartij op het kasteel Italië hield mij wakker. Ach, er waren wel meer excentrieke rijke lieden. Jammer dat ik de eigenaar, een Italiaanse graaf nam ik aan, niet zou zien, want ik bewonderde personen die niet de geijkte paden bewandelden. Morgen was het uit met de pret. Charmante mannen kwam ik niet vaak tegen. Wat zou ik zijn gezelschap missen… Eindelijk viel ik in slaap en droomde over het kasteel waar ik de uitgang niet kon vinden. De volgende morgen rinkelde de reiswekker om zes uur. Snel kleedde ik mij aan en liep in mijn reiskleding naar het ontbijtbuffet, dat voor de laatste ochtend tamelijk karig was. Tot mijn teleurstelling zat Harald niet aan ons tafeltje. Met een muffin in mijn hand liep ik het dek op, waar Harald keurig in blazer klaar stond om opgehaald te worden.
‘Ik zal je missen,’ zei hij. Even drukte hij mij dicht tegen zich aan, waarna ik een discrete afscheidskus kreeg. Ik kreeg een brokje in mijn keel toen hij de loopplank afliep. Vanaf de reling zag ik de zelfde grote dure zwarte auto klaarstaan. Weer voelde ik de adem van de maffia, maar toen Harald mij, voordat hij achterin stapte, een uitbundige kushand toe wierp, vervaagde dit weer. De chauffeur sloeg het portier dicht, liep om, stapte in en reed weg.
Chris kwam naast mij staan. ‘Zo is Harald al vertrokken? Ach ja, hij hoeft niet met het vliegtuig mee. Heb je niets vergeten? Ook niet je tandenborstel?’
Ik trok een gezicht. ‘Nee, en ik heb ook geen badjas of handdoeken meegenomen.’ Typisch Chris, om zich om futiliteiten druk te maken. We liepen naar de voorplecht en zagen onze koffers al op de kade staan. Tijdens het wachten op de juiste bus die ons naar het vliegveld zou brengen bekeek ik het personeel dat al druk bezig was om het schip voor de volgende lading passagiers in orde te maken. Toen het onze beurt was om te vertrekken zei Fred: ‘Zien we u volgend jaar weer? Ik hoop voor u dat die knappe Italiaan er dan ook weer is.’ Ik bloosde zowaar. Had Chris deze opmerking ook gehoord? Hij niets merken. Ik zag dat onze koffers al in de bus naar Fiumicino werden geladen. Met een laatste blik op het schip liep ik de loopplank af. Vreemd genoeg voelde het als een onherroepelijk afscheid, van wat, dan wist ik nog niet.

Thuis wachtte ons een berg post. Na het afwerken van de achterstallige correspondentie nam ons leven weer zijn bekende loop. In de vrije uurtjes maakte ik een fotoboek van onze zeer geslaagde reis. Dankzij het bruisende gezelschap van Harald had ik van de cruise genoten. Met de andere gasten was het bij beleefd knikken gebleven en al gauw kon ik mij hen niet meer voor de geest halen. Harald raakte niet uit mijn gedachten, zijn gezicht stond op mijn netvlies gegrift. Ik had nog nooit iemand ontmoet waarbij ik me direct zo thuis voelde plus dat hij mij behandelde of ik de belangrijkste persoon in zijn leven was. Verbeeldde ik het mij, was ik een beetje verliefd op hem? Ach, wie weet was hij mij al lang vergeten. Volgens de etiquette kom je niet aan een getrouwde vrouw; hoewel, een Italiaan? Ik kon daar fijn over wegdromen. Intussen verheugde ik mij enorm op ons komende bezoek aan Harald in het prachtige kasteel.