zonsondergang

Een thriller van formaat, wist Anouk toen ze het manuscript uit had. Wie weet zelfs een bestseller. Ze had zo ingespannen zitten lezen, dat het strand nu praktisch verlaten was. Ze maakte een nette stapel van de losse blaadjes, schoof ze in de gele enveloppe, stond op, schudde haar strandmatje uit, rolde het op en pakte de plastic zak met haar sandalen.
Haar oog viel op een fiets die nogal slordig was neergekwakt. Met haar gedachten bij het manuscript liep ze er hoofdschuddend langs. Ze draaide zich om en herkende het gevlochten gele armbandje aan het stuur. Dit was de fiets van Willemijn; niets voor het vrolijke twaalfjarige meisje dat zorgvuldig met haar spullen omging, om haar fiets hier zo achter te laten.
Zou ze Steven bellen? Willemijn was een kind van zijn tweede leg en hij was dol op zijn dochter. Steven, een populaire vent, knap, branieachtig… ook zij was vroeger voor zijn charme gezwicht.
Ze dacht weer aan haar werk. Meestal stelden de manuscripten die ze voor Tim’s uitgeverij moest doorlezen niet veel voor, maar dit verhaal had haar echt getroffen.
Willemijn… hopelijk was alles goed met haar.  Toch maar even Steven bellen. Ze vond zijn nummer en toetste dit in. Hij nam meteen op.
‘Steven hier.’
‘Met Anouk. Zeg…’
‘Zo Anouk. Mooie meid, wat wil je van mij?’
‘Even serieus, ik sta hier op het strand. Hier ligt de fiets van Willemijn, slordig neergekwakt en… is ze al thuis?’
‘Wat zeg je? Haar fiets?’
‘Ja, op het stille strand bij paal 21.’
‘Dat is niets voor haar… ik…’
De verbinding werd verbroken. Ze had een lichte paniek in zijn stem gehoord.
Anouk liep naar haar eigen fiets, hing haar tas aan het stuur, deed het matje onder de snelbinders en fietste naar huis. Ze stalde haar fiets in het schuurtje, schopte haar sandalen uit en liep op blote voeten haar huis in. Met gymnastische toeren spoelde ze haar voeten een voor een af onder de keukenkraan. Ze dronk een groot glas water en bekeek haar post. Toch maar even douchen.
Ze stond haar haar nog uit te spoelen, toen de bel ging. Haar eerste reactie was om te laten bellen, maar het tringelen ging ongeduldig door.
Gekleed in badjas aan en een handdoek als tulband op haar hoofd, liep ze de steile trap af. ‘Ja, ja, ik kom al…’
Steven stond met verwaaide haren voor de deur.
Ze deed open en hij liep meteen naar binnen. ‘Zeg, die fiets… nergens te vinden.’
Anouk haalde haar wenkbrauwen op.
‘Kan je alsjeblieft met mij meegaan en aanwijzen waar die fiets lag?’
‘Natuurlijk, maar ik moet me wel even aankleden. Heb je de politie al gebeld? Ik neem aan dat niemand weet waar ze is?’
Hij hield zijn handen hulpeloos op. ‘Dit is niets voor haar. De politie kan haar pas na 24 uur als vermist opgeven.’
‘Wacht, ik trek even iets aan.’ Ze rende naar boven, kneep het laatste water uit haar haar en schudde haar donkere krullen los. Gekleed in jeans en een katoenen trui liep ze op haar loafers de trap af. Steven stond ongeduldig te wachten. Zo ernstig had ze hem nog nooit zien kijken.
‘Zo, je auto staat voor neem ik aan.’
Hij liep al vooruit met zijn afstandsbediening. ‘Fijn dat je mee gaat. Eerlijkgezegd heb ik het niet meer… Mabel is ook in alle staten en geen van haar vriendinnen weet waar ze is.’
Anouk hield haar adem in. Een regiment geruststellende woorden passeerden haar lippen, zonder deze uit te spreken. Ze stapte in. Zonder een woord te zeggen reed hij naar het stille strand. Hij parkeerde zijn dikke bak bij de toegang naar het strand, pakte twee zaklampen en duwde eentje in haar hand.
Het begon te schemeren.
‘Vertel… waar precies zag jij die fiets?’
‘Kom maar mee.’
Zwijgend daalden ze naar het strand af. Het vuurtorenlicht was al aan, verder was het strand verlaten. De branding maakte een geruststellend geruis en een enkele zeemeeuw maakte nog geluid.
Ze stopte en keek even naar de schitterende zonsondergang. Steven botste tegen haar op.
Anouk knipte de zaklamp aan en scheen op de plek waar ze de fiets had gezien.
Ze hield haar adem in. ‘Hij is weg… had je hier ook al gekeken?’
‘Ja, dat heb ik toch gezegd.’
Ze bukte zich en scheen met de zaklamp nu dichterbij op de plek.
‘Kijk, ik zie nog een vage afdruk van een trapper.’
‘Ik maak daar even een foto van.’ Steven pakte zijn iPhone al.
Anouk bekeek de plek rond de verdwenen fiets. ‘Niets,’ mompelde ze.
Ze scheen verder en slaakte een kreet.
Steven keek verschrikt op.
‘Kijk hier ligt dat gevlochten gele armbandje.’
‘Laat liggen, ik maak eerst een foto.’
‘Ik heb een pakje zakdoekjes in mijn broekzak. We kunnen het voorzichtig meenemen, dan kan de politie dat op vingerafdrukken onderzoeken.’
Hij lachte schamper. ‘Op veters…’
‘Wel DNA.’
Hij zuchtte.
Ze pakte het gele armbandje met een zakdoekje, vouwde dit dicht en overhandigde het aan Steven. Anouk rilde.
‘Het is toch niet zo koud…’
‘Ik heb nog niets gegeten.’
‘Ik ook niet. Samen een hapje? Wat vind je van de Italiaan?’
‘Prima.’
In de auto keek hij haar onderzoekend aan.
‘Zeg je rilde, maar niet van de kou als ik het goed heb.’
‘Jawel.’
‘Kom geen geintjes, je dacht aan iets… ik zag jou heel vreemd kijken… heeft dat met Willemijn te maken?’
‘Nou…, dat is absurd.’
‘Vooruit voor den dag ermee.’
Ze staarde in de verte. ‘Ik wil je niet bang maken… maar goed… jij je zin. Ik heb net een manuscript gelezen…’
Stevens wenkbrauwen schoten omhoog.
‘Ja, dat ging toevallig ook over een meisje van 12, die… ze werd vermoord… haar fiets lag op het strand en was even later verdwenen… precies zo…’
Hij keek haar vreemd aan.
‘Ik heb heus geen zonnesteek hoor. Ik droeg een petje anders kan ik niet in de zon lezen.’
‘Allemachtig…en jij gelooft…’
‘Ik geloof niets, maar het is wel erg toevallig. Mag ik daarvan rillen?’

De rest van dit verhaal is te lezen in mijn bundel ANEMARIE’S NOVELLEN  of op mijn website http://www.annemarieenters.be

Advertisement